ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6959
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bijl
- Beukers-Van Dooren
- Van de Merwe
- Rechtspraak.nl
Geschil over waardebepaling woning in bewoonde staat met DCF-methode
Belanghebbende was vennoot in een VOF en bracht per 31 december 1995 zijn woonhuis over naar privévermogen. De waarde van het woonhuis in vrij opleverbare staat was ƒ 570.000. De inspecteur stelde de waarde in bewoonde staat vast op ƒ 370.500, belanghebbende stelde deze op ƒ 201.358.
Het geschil betrof de waardebepaling van het woonhuis in bewoonde staat op 31 december 1995. Partijen waren het eens over het gebruik van de Discounted Cashflow-methode (DCF) voor de waardebepaling, maar verschilden over de uitgangspunten zoals huurprijs, huurperiode, inflatie, groot onderhoud en correctie voor bewoning.
Het Hof oordeelde dat de normale huurprijs niet kon worden afgeleid van vergelijkbare woningen vanwege het kleine verhuursegment voor vrijstaande woningen in de gemeente. De puntenmethode bood een goed aanknopingspunt, maar de maximale huurprijs was niet gelijk aan de normale huurprijs. Het Hof stelde de normale huurprijs vast op ƒ 22.236 per jaar. De huurperiode werd vastgesteld op twintig jaar, rekening houdend met verhuismobiliteit. Inflatie werd meegenomen, evenals een rendement van 8,5% en een frequentie van groot onderhoud van 15 en 30 jaar na bouw.
De contante waarde van de huuropbrengsten minus kosten werd berekend op ƒ 355.368, vermeerderd met 5% correctie voor bewoning tot een waarde van ƒ 370.000. Het Hof verhoogde het vastgestelde verlies met ƒ 500 tot ƒ 123.233 en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van € 1.449.
Uitkomst: Het Hof stelt de waarde van het woonhuis in bewoonde staat vast op ƒ 370.000 en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten.