ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0324
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van de Merwe
- Rechtspraak.nl
Verplichte aanslag ondanks voorlopige teruggave kinderkorting in inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende had voor het jaar 2001 een voorlopige teruggave van kinderkorting van €38 ontvangen. Bij de definitieve aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bleek dat het te betalen bedrag, na verrekening van loonheffing en de voorlopige teruggave, €230 bedroeg, wat net boven de aanslaggrens van €196 ligt.
Het geschil betrof de vraag of de voorlopige teruggave van kinderkorting moet worden meegerekend in het voorheffingssaldo volgens artikel 9.4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het hof bevestigde dit en oordeelde dat de aanslag terecht is opgelegd.
Belanghebbende stelde dat hij erop mocht vertrouwen dat de voorlopige teruggave geen gevolgen zou hebben voor het opleggen van een aanslag, omdat dit niet was vermeld op het aanvraagformulier of de toelichting. Het hof verwierp dit beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de inspecteur geen bewust standpunt had ingenomen dat de voorlopige teruggave geen gevolgen zou hebben en er geen verplichting is om alle mogelijke gevolgen in het formulier te vermelden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. Van de Merwe namens het Gerechtshof Amsterdam op 26 mei 2003.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt ongegrond verklaard.