ECLI:NL:GHAMS:2003:AL3393
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van de Merwe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gebruikelijk loon en boete bij naheffingsaanslag loonbelasting
Belanghebbende, een BV, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag loonbelasting en een boete opgelegd door de inspecteur voor het tijdvak 1998 tot en met 2001. De kern van het geschil betrof de vraag of de enig aandeelhouder, C, een fictief loon genoot van belanghebbende en zo ja, hoe hoog dat loon moest worden vastgesteld.
Het hof stelde vast dat C arbeid verrichtte voor belanghebbende en dat op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 het loon minimaal op ƒ 84.000 per jaar moest worden gesteld, tenzij aannemelijk was dat een lager gebruikelijk loon van toepassing was. Belanghebbende stelde dat het loon slechts enkele honderden guldens per jaar bedroeg, maar het hof vond dit niet aannemelijk gelet op de omvang van de werkzaamheden en de ontvangen management fee.
Het hof oordeelde dat het loon van ƒ 6.000 per jaar gebruikelijk was en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Wel werd geoordeeld dat de boete wegens te weinig betaalde belasting niet opzet maar op grove schuld berustte, waardoor de boete werd verminderd tot 25% van de nageheven belasting, oftewel ƒ 3.090. Daarnaast veroordeelde het hof de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt gehandhaafd en de boete verminderd tot ƒ 3.090 wegens grove schuld.