ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7083
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Den Boer
- Faase
- Slijpen
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over fiscale afschrijving verhuurde onroerende zaken volgens Wet IB en Wet Vpb
Het Gerechtshof Amsterdam heeft in een tussenuitspraak van 23 oktober 2003 geoordeeld over de fiscale afschrijving van verhuurde onroerende zaken volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB) en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
De uitspraak verduidelijkt dat bij afschrijving de waarde van de grond buiten beschouwing blijft, aangezien grond geen waardevermindering door slijtage ondergaat. De restwaarde van de opstal moet worden vastgesteld zonder rekening te houden met inflatoire elementen of andere waardeontwikkelingen. De afschrijving wordt berekend als het verschil tussen de historische kostprijs en de restwaarde, gedeeld door de verwachte gebruiksduur.
Daarnaast is bepaald dat economische en technische veroudering een rol spelen bij het bepalen van de gebruiksduur en dat het gebruiksnut van de opstal in principe lineair afneemt, tenzij onmiskenbaar anders bewezen wordt. Partijen zijn verzocht om per onroerende zaak de historische kostprijs en restwaarde aan te geven en een cijfermatige conclusie te verbinden aan het belastbare inkomen of bedrag.
De uitspraak geldt voor zowel privévermogen als voor vermogen van vennootschappen en benadrukt dat het afschrijvingspercentage uniform moet worden toegepast binnen de betrokken vennootschappen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel is niet gehonoreerd.
Uitkomst: Bij fiscale afschrijving van verhuurde onroerende zaken blijft de grondwaarde buiten beschouwing en wordt de restwaarde van de opstal vastgesteld zonder inflatoire elementen.