ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2164
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Heuveling van Beek
- Haentjens
- Brilman
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens niet-emissiearme toepassing van dierlijke meststoffen op grasland
De verdachte heeft op 19 februari 2001 in de gemeente een perceel grasland met dierlijke meststoffen behandeld door middel van een giertank, zonder emissiearm te werk te gaan zoals wettelijk voorgeschreven. De verdediging voerde aan dat de gebruikte FIR-methode beter of gelijkwaardig was aan de voorgeschreven methode en dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak. Het hof oordeelde echter dat de verdachte geen vrijstelling had aangevraagd of verkregen en dat eigenmachtig afwijken van de wettelijk voorgeschreven methode niet aanvaardbaar is.
Het hof stelde vast dat de Nederlandse regelgeving in lijn is met de relevante Europese Nitraatrichtlijnen en dat de FIR-methode niet verplicht is voorgeschreven, noch onzorgvuldig is geweigerd. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie werd afgewezen vanwege onvoldoende zekerheid over het onderzoek en de noodzaak van een redelijke termijn voor strafzaken.
De bewezenverklaring omvat het opzettelijk gebruik van meststoffen zonder emissiearme toepassing, wat een wijziging van de bodemkwaliteit inhoudt en strafbaar is op grond van de Wet Bodembescherming en de Wet op de economische delicten. Het hof veroordeelde de verdachte tot een geldboete van €400, te vervangen door 8 dagen hechtenis bij niet-betaling, waarbij eerdere veroordelingen ontbraken en de draagkracht van de verdachte werd meegewogen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €400, bij niet-betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis wegens niet-emissiearme toepassing van dierlijke meststoffen.