ECLI:NL:GHAMS:2003:AO4101
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Broekhuijsen-Molenaar
- Hermans
- Splint
- Rechtspraak.nl
Bevestiging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige ondanks bezwaren ouders
De ouders van een minderjarige zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van hun kind had verleend. De minderjarige was eerder gedetineerd geweest en verbleef daarna kort in een residentiële voorziening, maar liep daar weg en woont sindsdien met instemming van de gezinsvoogdij-instelling weer thuis. De ouders betogen dat een uithuisplaatsing niet noodzakelijk is omdat de minderjarige het nu goed doet en zij betrokken zijn.
Het hof oordeelt dat de ouders niet ontvankelijk zijn in het hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling omdat zij geen gronden hebben aangevoerd. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing beoordeelt het hof aan de hand van het FORA-rapport dat de minderjarige cognitief hoog functioneert, maar steun en structuur nodig heeft die thuis onvoldoende worden geboden. De persoonlijkheidskenmerken van de minderjarige en de beperkte controle vanuit de thuissituatie maken een uithuisplaatsing noodzakelijk.
Het hof benadrukt dat het belang van de verzorging en opvoeding voorop staat en dat de machtiging terecht is verleend. Tevens merkt het hof op dat het standpunt van de gezinsvoogdij-instelling om de machtiging te gebruiken bij eventuele toekomstige problemen niet in de wet is verankerd. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige en verklaart het hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk.