ECLI:NL:GHAMS:2003:AO7582
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Ouderaa
- Kostense
- Lubbers
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt heffingsrente bij ontbreken duidelijk verzoek voorlopige aanslag
Belanghebbende, een besloten vennootschap die deel uitmaakt van een fiscale eenheid, maakte bezwaar tegen de vastgestelde heffingsrente bij een definitieve aanslag vennootschapsbelasting over 1997. De heffingsrente bedroeg ¦ 448.007, terwijl belanghebbende deze wilde verminderen tot ¦ 269.197. Het geschil spitste zich toe op de ontvankelijkheid van het beroep en de vraag of de heffingsrente terecht was vastgesteld.
Het Hof oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat belanghebbende expliciet tegen de uitspraak van de inspecteur bezwaar maakte. Vervolgens behandelde het Hof de materiële vraag over het matigen van de heffingsrente. Belanghebbende stelde dat de wetgever beoogde dat binnen drie maanden na aangifte een voorlopige aanslag wordt opgelegd, en dat bij uitblijven daarvan heffingsrente gematigd moet worden. Dit standpunt vond geen steun in de wet of jurisprudentie.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op gewekt vertrouwen, gebaseerd op uitlatingen van de staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling. Het Hof oordeelde dat deze uitlatingen beleidsmatig van aard zijn en niet leiden tot een rechtens afdwingbaar vertrouwen dat de inspecteur altijd binnen drie maanden een voorlopige aanslag moet opleggen. Alleen indien een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan, kan het vertrouwen ontstaan dat bij uitblijven daarvan heffingsrente wordt verminderd. In deze zaak was geen dergelijk verzoek gedaan.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de heffingsrente gehandhaafd. Het Hof zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de heffingsrente wordt ongegrond verklaard en de heffingsrente gehandhaafd.