ECLI:NL:GHAMS:2003:AO8653
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Van Zandwijk-Hillebrands
- Peeperkorn
- Driessen-Poortvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vaderschap en DNA-onderzoek na overlijden vermeende vader
Geïntimeerde, geboren in 1964, stelt dat X zijn biologische vader is, hoewel X hem nooit heeft erkend en in 1992 zonder testament is overleden. De nalatenschap ging over op de neef van X, die eveneens is overleden. Geïntimeerde vorderde afgifte van de nalatenschap, maar werd in eerdere procedures niet-ontvankelijk verklaard. Na een klacht bij het EHRM en een beschikking die het vaderschap vaststelde, stelden de erfgenamen van de neef beroep in.
Het hof oordeelde dat DNA-onderzoek niet het enige bewijs van vaderschap is, maar acht het wenselijk om zekerheid te verkrijgen via DNA-onderzoek op enveloppen met DNA-sporen van X. Beide partijen onderschrijven het belang hiervan en geïntimeerde stemt in met het onderzoek. Het hof gelast een deskundigenbericht door het Forensisch Laboratorium DNA-onderzoeken en benoemt een raadsheer-commissaris voor toezicht.
De procedure omvat een eerste steekproef op de enveloppen, mogelijk gevolgd door verdere onderzoeken en afname van DNA-materiaal van geïntimeerde. De kosten worden voorlopig uit de rijkskas betaald. Verdere beslissingen worden aangehouden tot ontvangst van het rapport. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof gelast DNA-onderzoek op enveloppen om het vaderschap van X vast te stellen en houdt verdere beslissing aan.