ECLI:NL:GHAMS:2003:AP1657
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.H.M. Possen
- J.J.A.M. Kennis
- K.J.L. Hesselt van Dinter
- Rechtspraak.nl
Indeling van gepelde pompoenpitten voor menselijke consumptie in het gemeenschappelijk douanetarief
Belanghebbende, A B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van de inspecteur die pompoenpitten had ingedeeld onder post 1209 91 90 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT), wat leidde tot een naheffing van douanerechten. De kern van het geschil betrof de juiste tariefindeling van gepelde pompoenpitten die geen kiemkracht meer bezitten en bestemd zijn voor menselijke consumptie.
De inspecteur stelde dat de pompoenpitten als groentezaden moesten worden beschouwd en derhalve onder post 1209 91 90 vielen. Belanghebbende betoogde dat de pitten niet langer als zaaigoed konden worden aangemerkt en dat zij moesten worden ingedeeld onder post 1212 99 90, die andere vruchtenpitten omvat die hoofdzakelijk voor menselijke consumptie worden gebruikt.
Het hof stelde vast dat de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen bepalend zijn voor de indeling. Gezien het feit dat de pitten gepeld zijn, hun kiemkracht hebben verloren en voor menselijke consumptie worden gebruikt, kunnen zij niet meer als zaaigoed worden aangemerkt. De GS-Toelichting op post 1209, die pompoenpitten zonder kiemkracht onder die post wilde indelen, werd door het hof buiten toepassing gelaten. Het beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en naheffing vernietigd, en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De gepelde pompoenpitten zonder kiemkracht worden ingedeeld onder post 1212 99 90 van het GDT, naheffing en eerdere uitspraak worden vernietigd.