ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8139
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Van Wijnen-Vergeer
- IJland-Van Veen
- Van Lingen
- Rechtspraak.nl
Vergoeding rechtsbijstand na rauwe afwijzing uitleveringsverzoek wegens Opiumwet
Verzoeker werd op 13 september 2002 in verzekering gesteld in verband met een uitleveringsverzoek wegens overtreding van de Opiumwet. Na voorlopige hechtenis vanaf 19 september 2002 verbleef verzoeker van 3 oktober 2002 tot 13 januari 2003 in uitleveringsdetentie. Op 13 januari 2003 wees de minister van Justitie het uitleveringsverzoek rauwweg af, waarna verzoeker in vrijheid werd gesteld.
Verzoeker vroeg vergoeding van rechtsbijstandkosten ten bedrage van € 52.311,58, inclusief kosten voor het opstellen en toelichten van verzoekschriften op grond van artikel 59 Uitleveringswet Pro en 591a Sv. De rechtbank wees slechts een deel toe (€ 540) en wees de rest af. Verzoeker stelde hoger beroep in.
Het hof oordeelde dat ondanks het ontbreken van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak, billijkheidsoverwegingen een vergoeding rechtvaardigen. Het hof kende een vergoeding toe van € 35.428,21 voor rechtsbijstandkosten tot 13 januari 2003, exclusief kosten daarna, en € 1.370 voor het opstellen en toelichten van verzoekschriften. De totale vergoeding bedroeg € 36.798,21, te betalen uit 's Rijks kas. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Het hof kent verzoeker een vergoeding van € 36.798,21 toe uit 's Rijks kas wegens kosten rechtsbijstand na rauwe afwijzing van het uitleveringsverzoek.