ECLI:NL:GHAMS:2004:AP8444
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Goes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en boete wegens niet-naleving administratieplicht en vermoedelijke omzetverzwijging
Belanghebbende, een eenmansbedrijf in de bouw, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag over 1999 vanwege vermoedelijke omzetverzwijging en het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht zoals voorgeschreven in artikel 52 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
De inspecteur stelde vast dat de administratie over 1999 en 2000 grotendeels ontbrak, onder meer door een diefstal van een kluis in april 2001 en het wissen van digitale gegevens door de adviseur van belanghebbende. Ondanks pogingen om de omzet te reconstrueren, bleef een aanzienlijk verschil bestaan. De inspecteur legde daarom een navorderingsaanslag en een boete op wegens grove schuld of opzet.
Belanghebbende voerde aan dat de administratie door overmacht verloren was gegaan en dat hij de omzetverschillen niet kon verklaren. Het hof oordeelde dat de verklaring van overmacht ongeloofwaardig was, mede omdat de omvang van de administratie niet in een kleine kluis paste en de aangifte van diefstal niet specifiek was. Tevens achtte het hof de schatting van de niet-aangegeven omzet redelijk en concludeerde dat de boete terecht was opgelegd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het hof achtte de boete passend en vond geen aanleiding voor een veroordeling van de inspecteur in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag en boete worden bevestigd.