ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ8128
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- mrs. Bijl
- mrs. Van Hilten
- mrs. Beukers-van Dooren
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof behandelt geschil over tariefindeling en oorsprong rijst met preferentieel tarief Aruba
Belanghebbende, een douane-expediteur, had langkorrelige halfwitte rijst van oorsprong Aruba aangegeven onder post 1006 3048 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT) en maakte aanspraak op een preferentieel tarief van 0% met EUR.1-certificaten. De inspecteur classificeerde de rijst echter onder post 1006 2098 en legde douanerechten op. Na monsteronderzoek door het douanelaboratorium bleek de rijst voor het grootste deel uit gedopte rijst te bestaan, wat leidde tot de correctie van de tariefpost.
Belanghebbende betwistte de betrouwbaarheid van het monsteronderzoek en voerde aan dat de aanvullende aantekening (EG) 1 op hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN), die strengere criteria hanteert dan de Toelichting van de Internationale Douaneraad (IDR) op het Geharmoniseerd Systeem (GS), niet geldig is. Tevens stelde belanghebbende dat de inspecteur onterecht de EUR.1-certificaten buiten toepassing had gelaten en dat het vertrouwensbeginsel en artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het communautair douanewetboek (CDW) bescherming bieden.
Het hof oordeelde dat de monsterneming en het onderzoek volgens de regels waren uitgevoerd en dat de resultaten betrouwbaar waren. Het stelde vast dat de aanvullende aantekening (EG) 1 afwijkt van de GS-Toelichting en dat dit mogelijk strijdig is met het GS-Verdrag. Daarom stelde het hof prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de geldigheid van deze aantekening. Het hof hield de beslissing aan en schorste het geding totdat het Hof van Justitie uitspraak doet.
Het geschil betreft ook de vraag of belanghebbende te goeder trouw was en of het vertrouwensbeginsel toepassing vindt. Het hof achtte niet buiten twijfel dat belanghebbende zich zorgvuldig had vergewist van de voorwaarden voor preferentiële behandeling, maar liet deze vraag mede afhangen van de prejudiciële uitspraak. De inspecteur mocht de EUR.1-certificaten niet eenzijdig buiten toepassing laten zonder nader onderzoek. De zaak is complex door de verschillen tussen communautaire en internationale regelgeving en de interpretatie van tariefposten.
Uitkomst: De beslissing is aangehouden en het geding geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de geldigheid van aanvullende aantekening (EG) 1.