ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6227
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Rijn
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermindering gecombineerde heffingskorting bij aftrek ter voorkoming dubbele belasting
Belanghebbende had in 2001 een voorlopige teruggaaf ontvangen voor de gecombineerde heffingskorting, maar na het opleggen van de definitieve aanslag werd deze korting verlaagd vanwege de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over een woning in Duitsland.
Het geschil betrof de vraag of een aanslag moest worden vastgesteld ondanks een lage te betalen inkomstenbelasting en of de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in mindering mocht worden gebracht op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting. Het Hof volgde de uitleg van de Wet IB 2001, waarbij eerst de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast en daarna de heffingskorting.
Belanghebbendes beroep werd ongegrond verklaard. Daarnaast oordeelde het Hof dat de vermindering van de heffingskorting niet in strijd is met het EG-Verdrag of het arrest van het Hof van Justitie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de systematiek van belastingvermindering en heffingskorting bij buitenlandse vermogensbestanddelen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt gehandhaafd.