ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6598
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Voncken
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens beroepsverbod bij interlocutoire beschikking omgangsregeling
De moeder verzocht bij de kinderrechter een omgangsregeling vast te stellen met haar minderjarige kind, dat formeel en feitelijk op de Nederlandse Antillen verbleef. De vader voerde verweer dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was vanwege de woonplaats van het kind.
De kinderrechter oordeelde dat hij wel bevoegd was en stelde een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in. De behandeling werd aangehouden in afwachting van dit onderzoek. De vader ging in hoger beroep tegen deze beschikking.
Het hof overwoog dat de beschikking een interlocutoire tussenbeschikking betrof en dat artikel 358 lid 4 Rv Pro een beroepsverbod inhoudt tegen dergelijke tussenbeschikkingen, tenzij de rechter anders bepaalt. Omdat geen uitzondering was gemaakt en proceseconomische redenen onvoldoende waren, verklaarde het hof het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens het beroepsverbod van artikel 358 lid 4 Rv.