ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6598

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
564/04
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Voncken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens beroepsverbod bij interlocutoire beschikking omgangsregeling

De moeder verzocht bij de kinderrechter een omgangsregeling vast te stellen met haar minderjarige kind, dat formeel en feitelijk op de Nederlandse Antillen verbleef. De vader voerde verweer dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was vanwege de woonplaats van het kind.

De kinderrechter oordeelde dat hij wel bevoegd was en stelde een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in. De behandeling werd aangehouden in afwachting van dit onderzoek. De vader ging in hoger beroep tegen deze beschikking.

Het hof overwoog dat de beschikking een interlocutoire tussenbeschikking betrof en dat artikel 358 lid 4 Rv Pro een beroepsverbod inhoudt tegen dergelijke tussenbeschikkingen, tenzij de rechter anders bepaalt. Omdat geen uitzondering was gemaakt en proceseconomische redenen onvoldoende waren, verklaarde het hof het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens het beroepsverbod van artikel 358 lid 4 Rv.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
ENKELVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 25 november 2004 in de zaak met rekestnummer 564/04 van:
[...],
wonende te [woonplaats], Nederlandse Antillen,
DE VADER,
procureur: mr. N. van ‘t Hoogerhuijs,
t e g e n
[...],
wonende te [woonplaats],
DE MOEDER,
procureur: mr. S.H.R. van Heeks.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. De vader is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 februari 2004 van de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam, met rekestnummer 274714/03.1932.
1.2. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3. De zaak is op 22 september 2004 ter zitting behandeld.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1. De moeder heeft zich in eerste aanleg gewend tot de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam met het verzoek –kort gezegd- een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en het minderjarig kind van partijen, [de minderjarige], geboren 6 januari 1991. De vader heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de moeder, omdat op het moment van indiening van het verzoekschrift van de moeder, [de minderjarige] zowel formeel als feitelijk zijn woon- en verblijfplaats op [....., Nederlandse Antillen], en niet in Nederland had.
2.2. Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de kinderrechter onder meer overwogen dat hij bevoegd is kennis te nemen van het door de moeder ingediende verzoek en is in het dictum onder meer bepaald dat de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam wordt verzocht om onderzoek te doen naar een drietal door de kinderrechter geformuleerde vragen met betrekking tot de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige]. De behandeling van het verzoek en elke verdere beslissing is in afwachting van dit onderzoek voor onbepaalde tijd aangehouden.
2.3. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in haar tussenbeschikking een interlocutoire beslissing gegeven. In de bestreden beschikking is niet door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enige deel van het verzochte een einde gemaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 4 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan van een tussenbeschikking hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald, hetgeen in casu niet is geschied. Voor zover door de vader bedoeld is te betogen dat zich in casu een bijzondere omstandigheid voordoet waardoor bedoeld appelverbod zou moeten worden doorbroken, bestaande hierin dat appellant, naar het hof zijn standpunt begrijpt: om proceseconomische redenen, gerechtigd is de in eerste aanleg reeds gegeven beslissing omtrent de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kennis te nemen van het inleidend verzoek, in hoger beroep te laten toetsen voordat op de zaak zelf verder wordt ingegaan en beslist, overweegt het hof dat dit onvoldoende is om een uitzondering op het beroepsverbod van artikel 358 lid 4 Rv Pro te kunnen rechtvaardigen. Het hof is derhalve van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
2.4 Dit leidt tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voncken in tegenwoordigheid van mr. Wolfrat als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2004.