ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7377
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Dutmer
- H. Kostense
- M. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrek en informeel kapitaal bij lening aandeelhouder aan vennootschap
X BV kocht in 1997 aandelen in G BV van haar aandeelhouder Y en bleef de koopsom schuldig, waarbij de hoofdsom na 30 jaar wordt afgelost en de rente van 11% pas in 2027 opeisbaar is. De inspecteur kwalificeerde de schuld als informeel kapitaal, waardoor renteaftrek zou worden geweigerd. Het hof stelt dat de civielrechtelijke vorm van geldlening doorslaggevend is, tenzij sprake is van schijnconstructie, deelhebben in de onderneming of onmogelijkheid tot terugbetaling. Dit is niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur.
Het hof oordeelt dat de lening onder de overeengekomen voorwaarden een geldlening is en geen informeel kapitaal. De onzakelijkheid van het rente-uitstel tot 2027 leidt niet tot weigering van renteaftrek, mede omdat bij Y art. 24 lid 4 Wet Pro IB 1964 wordt toegepast en de rentebaten bij hem worden belast. Hierdoor wordt de verliesvaststelling van X BV aangepast naar een verlies van ƒ 252.586.
Het beroep is ongegrond voor de aanslag vennootschapsbelasting 1997, maar gegrond voor de verliesvaststelling. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 7 september 2004.
Uitkomst: Renteaftrek wordt toegestaan en verliesvaststelling aangepast naar een verlies van ƒ 252.586.