ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8098
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.B. Bijl
- A.F.M.Q. Beukers–Van Dooren
- J.W. Zwemmer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999 wegens onduidelijkheid lening en aflossingen
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van B.V., stelde een lening van circa ƒ 1,3 miljoen te hebben verstrekt aan zijn vennootschap in 1999, met een rente van 5% en aflossingen van ƒ 200.000 per jaar. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 1999 op.
Tijdens de procedure erkenden partijen dat de lening bestond en dat de schuld per 31 december 1999 ƒ 1.367.919 bedroeg. Echter, indien belanghebbende niet kon aantonen dat de door hem gestelde aflossingen in 2000 en 2001 daadwerkelijk waren voldaan, zouden deze bedragen worden aangemerkt als winstuitdeling in die jaren.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor de aflossingen, waardoor deze als winstuitdeling moesten worden beschouwd. Tevens stelde het hof het met het inkomen van 1999 verrekende verlies uit voorgaande jaren vast op ƒ 193.179, waardoor de grondslag van de navorderingsaanslag kwam te vervallen. De bestreden uitspraak en navorderingsaanslag werden vernietigd en de inspecteur werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding van € 966.
Uitkomst: Het hof vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999 wegens onvoldoende bewijs van aflossingen en wijst proceskosten toe aan belanghebbende.