ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8098

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
303269
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • D.B. Bijl
  • A.F.M.Q. Beukers–Van Dooren
  • J.W. Zwemmer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999 wegens onduidelijkheid lening en aflossingen

Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van B.V., stelde een lening van circa ƒ 1,3 miljoen te hebben verstrekt aan zijn vennootschap in 1999, met een rente van 5% en aflossingen van ƒ 200.000 per jaar. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 1999 op.

Tijdens de procedure erkenden partijen dat de lening bestond en dat de schuld per 31 december 1999 ƒ 1.367.919 bedroeg. Echter, indien belanghebbende niet kon aantonen dat de door hem gestelde aflossingen in 2000 en 2001 daadwerkelijk waren voldaan, zouden deze bedragen worden aangemerkt als winstuitdeling in die jaren.

Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor de aflossingen, waardoor deze als winstuitdeling moesten worden beschouwd. Tevens stelde het hof het met het inkomen van 1999 verrekende verlies uit voorgaande jaren vast op ƒ 193.179, waardoor de grondslag van de navorderingsaanslag kwam te vervallen. De bestreden uitspraak en navorderingsaanslag werden vernietigd en de inspecteur werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding van € 966.

Uitkomst: Het hof vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999 wegens onvoldoende bewijs van aflossingen en wijst proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Tweede Meervoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, gedagtekend 10 juli 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.
Het beroep is behandeld ter zitting van 22 november 2004.
Beslissing
Het Hof:
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de bestreden uitspraak en de navorderingsaanslag,
- stelt het met het inkomen van 1999 verrekende verlies uit voorgaande jaren vast op f 193.179 (€ 87.661),
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 966 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en
- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden.
Gronden
1.1. Belanghebbende, geboren in 1957 en gehuwd, is directeur enig aandeelhouder van B B.V., tot 1 april 1997 genaamd C B.V. (hierna: de B.V.).
1.2. In de op 22 november 2000 ingediende aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1999 staat onder de financiële vaste activa vermeld: vordering op aandeelhouder ƒ 1.367.919.
1.3. Belanghebbende stelt dat hij in 1999 van de B.V. een bedrag van f 1.318.855 heeft geleend tegen een rente van 5 procent per jaar, af te lossen met f 200.000 per jaar of anders zoals tussen partijen nader overeen te komen. Een afschrift van de niet getekende schriftelijke overeenkomst heeft belanghebbende als bijlage bij het bezwaarschrift tegen de in geding zijnde aanslag gevoegd.
1.3. Volgens de vennootschappelijke jaarstukken over 2000 en 2001 heeft belanghebbende een schuld aan de B.V. van ƒ 1.047.774 op 31 december 2000, en ƒ 306.177 op 31 december 2001. Belanghebbende heeft gesteld dat de vermindering van de schuld aan de B.V. is veroorzaakt door aflossing op de onder 1.2. bedoelde lening.
2. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat
- als uitgangspunt heeft te gelden dat de onder 1.2. bedoelde lening bestaat, dat deze lening op 31 december 1999 ƒ 1.367.919 bedraagt, en dat belanghebbende niet uit anderen hoofde een vordering op de B.V. heeft van ƒ 1.300.000;
- indien en voor zover door belanghebbende niet wordt aangetoond dat de door hem gestelde bedragen aan aflossing op de lening, als bedoeld onder 1.3., ook feitelijk aan de B.V. zijn voldaan, die bedragen in de jaren 2000 respectievelijk 2001 als uitdeling van winst aan belanghebbende in het desbetreffende jaar zullen worden aangemerkt;
- het inkomen voor 1999 overeenkomstig de brief van belanghebbende van 27 augustus 2004 wordt vastgesteld op ƒ 193.179.
3. Het Hof ziet geen reden om van de onder 2. vermelde overeenkomst tussen partijen af te wijken en zal dienovereenkomstig beslissen. Nu het bedrag van de te verrekenen verliezen op 1 januari 1999 van ƒ 310.554 tussen partijen niet in geschil is, kan een gedrag van f 193.179 aan verlies met het inkomen van 1999 worden verrekend. Dit houdt tevens in dat de grondslag aan de navorderingsaanslag is komen te ontvallen.
Proceskosten
Nu de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten gesteld op € 966 (2 punten voor proceshandelingen á € 322, met toepassing van factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.
De uitspraak is gedaan op 6 december 2004 door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, A.F.M.Q. Beukers–Van Dooren en J.W. Zwemmer leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.H. de Rijk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door de voorzitter van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in
mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.