ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8784
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- mr. Vrouwenvelder
- Rechtspraak.nl
Vernietiging voorlopige aanslag inkomstenbelasting wegens onterechte toepassing verplichte aanslagregeling
Belanghebbende diende in november 2000 een verzoek in tot voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2001, waarop een voorlopige teruggaaf werd toegekend. In januari 2001 verzocht belanghebbende de voorlopige teruggaaf stop te zetten, waarna de inspecteur deze teruggaaf per beschikking van 29 januari 2001 geheel introk.
Desondanks legde de inspecteur in mei 2002 een voorlopige aanslag op, gebaseerd op artikel 9.4, eerste lid, onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat een verplichte aanslag voorschrijft indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag, stellende dat de aanslag onterecht was omdat er feitelijk geen voorlopige teruggaaf meer bestond.
Het Hof oordeelde dat de intrekking van de voorlopige teruggaaf door de inspecteur moet worden gezien als een volledige vernietiging van die teruggaaf met terugwerkende kracht, waardoor de voorlopige teruggaaf juridisch nooit heeft bestaan. Hierdoor is artikel 9.4, eerste lid, onderdeel b niet van toepassing en had de inspecteur geen voorlopige aanslag mogen opleggen.
Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard, de bestreden uitspraak en de voorlopige aanslag worden vernietigd. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, en het betaalde griffierecht wordt aan belanghebbende terugbetaald.
Uitkomst: De voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt vernietigd omdat de voorlopige teruggaaf was ingetrokken en artikel 9.4 Wet IB 2001 niet van toepassing is.