ECLI:NL:GHAMS:2005:AT2891
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar
- L.H.A.M. Voncken
- F.A.A. Duynstee
- Rechtspraak.nl
Vader niet-ontvankelijk in verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag na beëindiging samenwoning
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samen in gezinsverband gewoond, waaruit twee kinderen zijn geboren die door de vader zijn erkend. Na het beëindigen van de samenwoning wil de vader alsnog samen met de moeder het gezag over de kinderen verkrijgen.
Het hof oordeelt dat noch artikel 1:253c BW noch artikel 1:253o BW, bezien in samenhang met artikel 8 EVRM Pro, de mogelijkheid bieden om eenzijdig gezamenlijk gezag te verkrijgen zonder dat de moeder daarmee instemt of dat er eerder gezamenlijk gezag was. De vader heeft de mogelijkheid om gezamenlijk gezag te verkrijgen op grond van artikel 1:252 BW Pro onbenut gelaten.
Het hof benadrukt dat de wet een gesloten systeem bevat voor het ontstaan en verlies van ouderlijk gezag en dat een rechter niet buiten dit systeem mag treden. Ook wordt gewezen op literatuur die kritisch staat tegenover het creëren van gezamenlijk gezag in conflictsituaties zonder daadwerkelijke gezamenlijke gezagsuitoefening.
Daarom verklaart het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek en komt het niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Uitkomst: De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om gezamenlijk met de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen te verkrijgen.