ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5859
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D.B. Bijl
- Rechtspraak.nl
Keuze fiscaal partnerschap na onherroepelijke aanslag niet mogelijk
Belanghebbende, ongehuwd en geboren in 1958, voerde tot het overlijden van haar moeder in juni 2002 een gezamenlijke huishouding met haar moeder. Over het jaar 2002 deed zij aangifte inkomstenbelasting waarbij zij buitengewone uitgaven wegens ziekte en overlijden van haar moeder opvoerde. De inspecteur accepteerde echter slechts een beperkte aftrek voor ziekte en wees de kosten in verband met het overlijden van de moeder af.
Het geschil betrof de vraag of deze kosten terecht niet in aftrek zijn gebracht. Volgens artikel 6.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn buitengewone uitgaven wegens overlijden alleen aftrekbaar als de overledene de fiscale partner is. Omdat belanghebbende en haar moeder niet fiscaal partners waren en de keuze daarvoor niet meer gemaakt kon worden nadat de aanslag van de moeder onherroepelijk was vastgesteld, werd het beroep ongegrond verklaard.
Het hof oordeelde dat het feit dat degene die de aangifte verzorgde niet op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding voor risico van belanghebbende kwam. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een veroordeling in proceskosten leidden. De uitspraak werd op 17 mei 2005 gedaan door het lid van de belastingkamer D.B. Bijl.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de keuze voor fiscaal partnerschap niet meer mogelijk is na onherroepelijke aanslag van de beoogde partner.