ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5859

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/03936
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.B. Bijl
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 1:2 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Keuze fiscaal partnerschap na onherroepelijke aanslag niet mogelijk

Belanghebbende, ongehuwd en geboren in 1958, voerde tot het overlijden van haar moeder in juni 2002 een gezamenlijke huishouding met haar moeder. Over het jaar 2002 deed zij aangifte inkomstenbelasting waarbij zij buitengewone uitgaven wegens ziekte en overlijden van haar moeder opvoerde. De inspecteur accepteerde echter slechts een beperkte aftrek voor ziekte en wees de kosten in verband met het overlijden van de moeder af.

Het geschil betrof de vraag of deze kosten terecht niet in aftrek zijn gebracht. Volgens artikel 6.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn buitengewone uitgaven wegens overlijden alleen aftrekbaar als de overledene de fiscale partner is. Omdat belanghebbende en haar moeder niet fiscaal partners waren en de keuze daarvoor niet meer gemaakt kon worden nadat de aanslag van de moeder onherroepelijk was vastgesteld, werd het beroep ongegrond verklaard.

Het hof oordeelde dat het feit dat degene die de aangifte verzorgde niet op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding voor risico van belanghebbende kwam. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een veroordeling in proceskosten leidden. De uitspraak werd op 17 mei 2005 gedaan door het lid van de belastingkamer D.B. Bijl.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de keuze voor fiscaal partnerschap niet meer mogelijk is na onherroepelijke aanslag van de beoogde partner.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vierde Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak, gedagtekend 24 augustus 2004, van de inspecteur van de Belastingdienst te P de inspecteur, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.
Het beroep is behandeld ter zitting van 3 mei 2005.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende, geboren in 1958 en ongehuwd, voerde tot het overlijden van haar moeder op 17 juni 2002 uitsluitend een huishouden met haar moeder B. Belanghebbende heeft over het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.052. In haar op of omstreeks 1 maart 2003 ingediende aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 5.460 (na drempel en verhoging) opgevoerd als buitengewone uitgaven in verband met ziekte, in welk bedrag onder meer de kosten in verband met het overlijden van haar moeder zijn opgenomen. Zij kiest in deze aangifte niet voor fiscaal partnerschap.
2. De inspecteur heeft de uitgaven in verband met het overlijden van de moeder van belanghebbende niet in aftrek aanvaard en de aftrek terzake van ziekte vastgesteld op € 1.155. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vervolgens vastgesteld op € 17.357.
3. In geschil is of de inspecteur de kosten in verband met het overlijden van de moeder van belanghebbende terecht niet in aftrek heeft aanvaard.
4. Ingevolge artikel 6.16, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) zijn buitengewone uitgaven de uitgaven wegens overlijden van de belastingplichtige, zijn partner en zijn jonger dan 27-jarige kinderen. Op grond van deze bepaling kunnen de onderwerpelijke kosten naar het oordeel van het Hof slechts in aanmerking worden genomen indien de moeder van belanghebbende tevens de fiscale partner van belanghebbende is.
5. Vaststaat dat belanghebbende en haar moeder uitsluitend ten gevolge van het overlijden van de moeder in het onderhavige kalenderjaar niet gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
Alsdan kan de moeder van belanghebbende ingevolge artikel 1.2, tweede lid, van de Wet slechts als partner worden gekwalificeerd indien belanghebbende en haar moeder in het voorgaande kalenderjaar hebben gekozen voor fiscaal partnerschap. Ingevolge het Besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/3166 M, kan die keuze nog worden gemaakt tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn beoogde partner onherroepelijk vaststaat. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de op 14 november 2002 gedagtekende definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 van belanghebbende onherroepelijk vaststond op het moment dat door belanghebbende bezwaar werd gemaakt tegen de onderhavige aanslag – te weten op of omstreeks 10 augustus 2004 – kan belanghebbende de keuze voor fiscaal partnerschap reeds om die reden niet meer maken. In zoverre faalt het beroep van belanghebbende.
6. De omstandigheid dat degene die voor belanghebbende de aangifte verzorgde niet op de hoogte was van het feit dat belanghebbende met haar moeder een gezamenlijke huishouding voerde, komt voor risico van belanghebbende.
7. Gezien het vorenoverwogene, is het gelijk aan de inspecteur.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 17 mei 2005 door mr. D.B. Bijl, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.E. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.