ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6207
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar
- S. Clement
- F.A.A. Duynstee
- Rechtspraak.nl
Vrouw niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen beschikking omgangsregeling
Partijen hadden een niet-huwelijkse en kortdurende relatie waaruit een minderjarige is geboren. De man is biologisch vader, terwijl een ander de juridische vader is. De man verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met het kind vast te stellen, en werd ontvankelijk verklaard in dit verzoek.
De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om niet-ontvankelijkheid van de man te verklaren. Het hof oordeelde dat de beschikking van de rechtbank niet als een eindbeschikking in de zin van artikel 358 lid 1 Rv Pro kan worden aangemerkt, omdat er niet uitdrukkelijk is beslist over enig deel van het verzochte, namelijk de omgangsregeling zelf.
Telefonische mededelingen van de rechtbank konden geen rechtsgevolg hebben. Omdat de uitzonderingen in artikel 358 lid 4 Rv Pro niet van toepassing waren, was hoger beroep tegen deze beschikking niet mogelijk. Daarom werd de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
Het hof merkte op dat, indien het beroep ontvankelijk zou zijn geweest, het inhoudelijk zou hebben geoordeeld dat er voldoende bijkomende omstandigheden zijn voor een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind, conform artikel 1:377f BW. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2005.
Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking over de omgangsregeling.