Bij de beoordeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:
a. Klaagster, haar (tweeling)zuster Nanda, haar zuster Marion en haar broer Edi zijn de kinderen van Wilhelmina [C] en Egilius [X], die met elkaar waren gehuwd.
b. De moeder van klaagster, die op 23 december 1986 is overleden, had bij testament op basis van een ouderlijke boedelverdeling haar vermogen toebedeeld aan haar echtgenoot en aan ieder van haar kinderen een vordering op hun vader, die opeisbaar werd bij diens overlijden.
c. Op 26 juni 1996 is de vader van klaagster overleden. Op grond van zijn testament zijn de onder punt a. vermelde kinderen erfgenaam van zijn nalatenschap, ieder voor een vierde gedeelte.
d. In 1996 heeft Nanda diverse notarissen verzocht om de afwikkeling van de nalatenschap ter hand te nemen.
e. Geen van de ingeschakelde notarissen is er in geslaagd om de afwikkeling van de nalatenschap af te ronden. Dit was met name te wijten aan de inmiddels ernstig verstoorde familieverhoudingen.
f. Om de nalatenschap te kunnen beheren heeft klaagster zich op haar beurt gewend tot een notaris, die op 12 december 1996 een verklaring van erfrecht heeft afgegeven.
g. In de periode1997-1998 heeft Marion, en klaagster heeft zich bij haar vervolgens aangesloten, zich laten bijstaan door een advocaat, aangezien zij (beiden) het moederlijk erfdeel - van ongeveer F 15.061,76 met rente - uit de boedel uitbetaald wenste(n) te zien. Nanda en Edi hebben zich tegen deze vorderingen verzet.
h. In juni 1999 hebben Nanda en Edi de notaris verzocht om namens hen te bemiddelen bij de afwikkeling van de nalatenschap.
Klaagster heeft toen met de notaris afgesproken dat deze niet als boedelnotaris zou optreden en dat zij de notaris in geen geval een volmacht zou geven.
i. In het concept van de brief van 10 november 1999 aan de Postbank heeft de notaris – voor zover hier van belang – het navolgende medegedeeld: “(…) Ter zake van de nalatenschap van de heer E.P. [X] doe ik u bijgaand toekomen een verklaring van erfrecht waaruit blijkt dat ik voor drie van de vier erfgenamen optreed als gevolmachtigde. Ik verzoek u bovengenoemde rekening op te heffen en van de saldi inclusief de lopende rente over te maken:
- naar de rekening van mevrouw [W] … een bedrag van
F 15.061,76
- naar de rekening van Marion [X] … een bedrag van F 15.061,76
- Het restant op een van mijn kantoorrekeningen over te maken, met vermelding: erven [X].
Ten bewijze van instemming van de vierde erfgename, mevrouw [W] heeft zij deze brief mede-ondertekend. (…)”.
j. Klaagster heeft deze brief echter niet ondertekend, aangezien zij van mening was dat de tegoeden naar een erven-rekening overgemaakt moesten worden, in plaats van naar een kantoorrekening van de notaris.
k. Begin 2000 heeft de notaris aan klaagster medegedeeld dat de overige erfgenamen voornemens waren de verdeling van de nalatenschap via de rechter te vorderen.
l. In haar vonnis van 13 november 2002 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage – voor zover van belang – het navolgende overwogen:
“(…) 6. Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van Vader in ieder geval de volgende activa omvat: …(…)”.
en voorts ondermeer bepaald: “(…)
- Bepaalt dat uit de nalatenschap van Vader aan Marion en Ingrid (ieder) wordt voldaan een bedrag van fl 15.061,76, met rente van 6 % per jaar vanaf 1 december 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
- Bepaalt dat ieder van partijen ¼ deel verkrijgt van het verschil tussen … de vermelde activa en … het totaalbedrag van de vermelde schulden. (…)”.
m. Met betrekking tot de afhandeling van de nalatenschap heeft klaagster in haar brief van 24 mei 2003 aan de notaris ondermeer de navolgende vraag gesteld:
”(…) Verder zou ik van u graag vernemen of en zo ja welke gelden en/of waardepapieren u onder zich heeft en opgave van de rente tot 1-5-2003. (…)”.
n. In haar brief van 19 september 2003 aan de Kamer heeft de notaris – voor zover hier van belang – het navolgende medegedeeld: “(…) De vraag van mevrouw [W] … terzake van gelden, waardepapieren en renten moet ik ontkennend beantwoorden. Ik heb niets van dat alles. Alles wat mij met betrekking tot bankrekeningen bekend is, is ook aan mevrouw [W] bekend. Ik heb het echtpaar daarvan in 1999 mededeling gedaan. (…)”.