ECLI:NL:GHAMS:2005:AU1207
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Fasseur
- De Winter
- Bronkhorst
- Rechtspraak.nl
Werkgever veroordeeld voor schending rusttijden vrachtwagenchauffeurs volgens EEG-verordening
In deze strafzaak stond de werkgever terecht voor het niet naleven van de rusttijdenregeling voor vrachtwagenchauffeurs zoals voorgeschreven in artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3820/85. De werkgever had de arbeid zodanig georganiseerd dat de chauffeurs onvoldoende rust kregen, wat een schending van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer opleverde.
De zaak kende een langdurige procedure, waarbij het eerste verhoor plaatsvond in december 2000 en het vonnis in eerste aanleg pas in april 2004 werd uitgesproken. Het hof constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, maar oordeelde dat het belang van de gemeenschap bij normhandhaving zwaarder woog dan het belang van de verdachte bij niet-ontvankelijkheid. Wel werd rekening gehouden met deze termijnoverschrijding bij de strafmaat.
De bewezenverklaring betrof meerdere perioden in 2000 waarin de chauffeurs niet de vereiste dagelijkse rusttijd genoten. De verdediging voerde aan dat minder dan driekwart van de arbeid bestond uit rijden, waardoor andere regels van toepassing zouden zijn, maar het hof verwierp dit verweer. Uiteindelijk werd de werkgever veroordeeld tot vijftien geldboetes van elk 450 euro, lager dan de eis van de advocaat-generaal, mede vanwege de termijnoverschrijding.
Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot vijftien geldboetes van elk 450 euro wegens het niet naleven van rusttijden voor vrachtwagenchauffeurs.