ECLI:NL:GHAMS:2005:AU1504
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Van Asperen
- De Winter
- Wagenmakers
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing artikel 16a lid 1 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen inzake verblijf in politiecel
In deze zaak stond de vraag centraal hoe artikel 16a lid 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen moet worden uitgelegd en toegepast. De verdachte verbleef van 10 tot 23 juni 2005, dus 13 dagen, in een politiecel, wat volgens het hof een overschrijding van de wettelijk toegestane maximale periode van tien dagen betekent. De rechtbank had de vordering tot gevangenhouding afgewezen vanwege deze overschrijding.
Het hof stelde echter vast dat de wettelijke bepaling inhoudt dat de termijn van maximaal tien dagen begint te lopen vanaf het eerste moment dat de minderjarige in de politiecel verblijft. De enkele overschrijding van deze termijn brengt, behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aannemelijk zijn gemaakt, niet mee dat gevangenhouding niet kan worden bevolen.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en wees de vordering tot gevangenhouding alsnog toe voor een termijn van dertig dagen. Tegelijkertijd schorste het hof het bevel tot voorlopige hechtenis onder strikte voorwaarden, waaronder het niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging en het naleven van aanwijzingen van de jeugdreclassering.
De uitspraak verduidelijkt de interpretatie van artikel 16a lid 1 en benadrukt dat een overschrijding van de tien dagen in een politiecel niet automatisch tot afwijzing van gevangenhouding leidt, mits geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot gevangenhouding toe en schorst de voorlopige hechtenis onder voorwaarden.