ECLI:NL:GHAMS:2005:AU4850
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- E.M. Vrouwenvelder
- K.L.H. van Mens
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over dividendbelastingvrijstelling en EU-vrij verkeer van kapitaal
Belanghebbende, een buitenlandse aandeelhouder met 14% aandelen in een Nederlandse vennootschap, betwist de inhouding van dividendbelasting over de dividenduitkering door deze vennootschap. De inspecteur handhaaft de inhouding, waarbij de vrijstelling van artikel 4 van Pro de Wet op de dividendbelasting alleen geldt voor binnenlandse aandeelhouders of buitenlandse aandeelhouders met een vaste inrichting in Nederland.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze regeling in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal zoals gewaarborgd in artikelen 56 tot en met 58 van het EG-Verdrag. Het hof overweegt dat het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders gerechtvaardigd kan zijn vanwege de samenhang met de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting en administratieve vereenvoudiging.
Belanghebbende voert aan dat het onderscheid discriminerend is en strijdig met het recht op vrije vestiging, maar het hof oordeelt dat het aandelenbezit van 14% onvoldoende is om invloed op de vennootschap aan te nemen en dat het beroep op het recht van vestiging faalt.
Het hof verwijst naar relevante jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie en het EVA-Hof, erkent dat er sprake is van ongelijke behandeling maar acht deze geoorloofd. Het hof legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en schorst de procedure totdat uitspraak is gedaan.
Uitkomst: Het Gerechtshof Amsterdam schorst de procedure en stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van artikel 4 van de Wet op de dividendbelasting met het EG-Verdrag.