ECLI:NL:GHAMS:2005:AU5113
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. Rutten-Roos
- A.R. van de Veen
- C.Ch. Mout
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaald loon na beëindiging arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een hoger beroep van ABN AMRO Bank tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam over de terugvordering van onverschuldigd betaald loon aan een voormalige werknemer. De werknemer had vanaf april 2000 tot en met november 2001 loon ontvangen terwijl zij geen arbeid meer verrichtte. De Bank vorderde terugbetaling van €44.562,96.
Het hof stelt vast dat de werknemer na haar herstelverklaring in april 2000 het werk niet heeft hervat en ook geen beroep kon doen op artikel 7:628 lid 1 BW Pro. De arbeidsovereenkomst werd geacht te zijn geëindigd, al was het tijdstip daarvan niet met zekerheid vast te stellen. De werknemer mocht niet verwachten dat de betalingen onvoorwaardelijk waren en diende rekening te houden met terugvordering.
Persoonlijke omstandigheden, zoals het ontvangen van een WAO-uitkering en het niet hervatten van het werk, zijn meegewogen. Het feit dat de werknemer de gelden mogelijk consumptief heeft besteed, is niet relevant. Het hof oordeelt dat de Bank terecht de vordering heeft ingesteld en veroordeelt de werknemer tot terugbetaling met wettelijke rente en kosten.
Uitkomst: De werknemer wordt veroordeeld tot terugbetaling van €44.562,96 onverschuldigd ontvangen loon met rente en kosten.