Bij de beoordeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:
a. In januari 2004 is door een zekere E. Hendrikse het naast het pand van klager gelegen appartementsrecht [adres] te [woonplaats] te koop aangeboden via [V] Makelaars o.g.
b. Op 27 januari 2004 heeft klager via zijn makelaar [C] Makelaardij o.g. te [woonplaats] een bod van € 75.000,-- op dit appartementsrecht uitgebracht.
c. De verkopende makelaar heeft aan (de makelaar van) klager onder meer medegedeeld dat de desbetreffende vereniging van eigenaars een zogenoemde “slapende” vereniging was, aangezien de eigenaars geen servicekosten behoefden te voldoen.
d. Klager heeft zelf van één van de appartementseigenaren vernomen dat er sprake was van achterstallig onderhoud met betrekking tot de gemeenschappelijke ruimtes.
e. Aangezien er bij klager een aantal vragen leefde met betrekking tot de vereniging van eigenaars heeft klager advies ingewonnen bij de notaris. Op 17 juni 2004 heeft een bespreking tussen klager en de notaris op diens kantoor plaatsgevonden.
f. Centraal tijdens deze bespreking stond de vraag op welke wijze klager de vereniging van eigenaars zou kunnen bewegen om een besluit te nemen over de aanpak van het achterstallig onderhoud en daarnaast heeft klager aan de notaris de vraag gesteld of er een exploitatieoverzicht bestond met betrekking tot de vereniging. Afhankelijk van de beantwoording van deze vragen zou klager besluiten of hij een nader bod zou uitbrengen.
g. De notaris heeft het door hem aan klager gegeven advies bevestigd in zijn brief aan klager van 8 september 2004. In deze brief heeft de notaris onder meer vermeld: “(…) U gaf aan dat er sprake was van een slapende vereniging (…) Aangezien u geen eigenaar bent van één van de appartementen in het gebouw bent u geen lid van de vereniging van eigenaars, mitsdien heeft u geen stemrecht in de vergadering waarin besluiten over restauratie worden genomen. Indien u eigenaar was geworden van het appartement had u wel stemrecht in de vergadering. (…) De koper heeft een steeds zwaardere onderzoeksplicht, daarnaast heeft de verkoper een mededelingsplicht (…)”.
h. Omstreeks eind juni 2004 heeft klager afgezien van de koop van het appartementsrecht.
i. Op 19 juli 2004 heeft het transport van dit appartementsrecht aan een derde plaatsgevonden ten overstaan van notaris mr [B] te [woonplaats].
In de transportakte is - voor zover hier van belang – het navolgende vermeld:”(…) koper is bekend met het laatste exploitatieoverzicht van de Vereniging van Eigenaars (…)”.
j. In zijn brief van 6 september 2004 aan notaris [S], kantoorgenoot van de notaris, heeft klager het navolgende medegedeeld:”(…) Voor mij is een slapende vereniging van eigenaren die geen exploitatieoverzicht heeft. Vraag is nu of de vermelding achteraf niet nadelig is voor de aspirant koper geen eigenaar zijnde van appartement ten aanzien van de nodige dringende reparaties wat de notaris zelve m.i. moet controleren (…) en ik mij derhalve beklaag hierover, nu dit niet is geschied door u. (…)”.
k. In zijn brief van 7 oktober 2004 heeft notaris mr [J], kantoorgenoot van de notaris, onder meer het navolgende aan klager bericht:”(…) Uit het feit dat er verwezen wordt naar het exploitatieoverzicht kan niet direct afgeleid worden dat er dan sprake is van een “actieve” vereniging van eigenaars. Omtrent de inhoud en de datum van dit overzicht is in de akte geen melding gemaakt. Het zou mogelijk kunnen zijn dat er, ondanks de vermelding van het exploitatieoverzicht, toch sprake is van een slapende vereniging. Ook kan uit deze passage niet afgeleid worden dat er besluiten zijn genomen door de vereniging. Indien evenwel op het moment van de koop van het registergoed de vereniging van eigenaars besluiten had genomen, waaruit voor de appartementseigenaars (aanzienlijke) financiële verplichtingen voort zouden vloeien, zou er m.i. geen sprake meer zijn van een slapende vereniging en had de verkoper dan wel verkopend makelaar dit aan koper dienen te melden. (...)”.