ECLI:NL:GHAMS:2005:AU7770
Gerechtshof Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- P. Ingelse
- T.A.C. van Hartingsveldt
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid voorzieningenrechter bij schorsing tenuitvoerlegging strafvonnis
In deze zaak verzocht [X] de voorzieningenrechter van het Gerechtshof Amsterdam om de executie van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam te schorsen in afwachting van de beslissing op cassatie. Het vonnis betrof een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Het hof had [X] in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de appeltermijn. Tegen dit arrest was cassatieberoep ingesteld.
De voorzieningenrechter van het hof onderzocht zijn bevoegdheid om over het verzoek te oordelen. Volgens artikel 557 lid 3 Sv Pro kan de tenuitvoerlegging van vonnissen of arresten worden geschorst door de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank, afhankelijk van de herkomst van de te executeren beslissing. Het hof oordeelde dat bij tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd is, en bij tenuitvoerlegging van een arrest van het hof de voorzieningenrechter van het hof.
Hoewel het hof een arrest heeft gewezen waarin [X] niet-ontvankelijk werd verklaard, blijft het verzoek zien op de tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke vonnis van de rechtbank. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter van het hof zich onbevoegd en verwees de zaak naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. De advocaat-generaal en de verzoeker waren het eens over de aard van het geschil, maar verschilden van mening over de bevoegdheid. De voorzieningenrechter van het hof volgde de uitleg dat de bevoegdheid afhangt van de herkomst van het te executeren vonnis.
Uitkomst: De voorzieningenrechter van het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.