ECLI:NL:GHAMS:2005:AV0711
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gerechtelijk vaderschap na overschrijding wettelijke termijn wegens redelijkheid en billijkheid
Appellanten zijn kinderen die tijdens het huwelijk van hun moeder met de juridische vader zijn geboren, maar feitelijk de biologische kinderen van een andere man, de biologische vader. Na het overlijden van de moeder en later van de biologische vader, hebben appellanten verzocht om de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en de vaststelling van het vaderschap van de biologische vader. De rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de in artikel 1:200 lid 6 BW Pro gestelde termijn en wees het verzoek tot vaststelling af.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de wettelijke termijn buiten toepassing moest worden gelaten op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat de termijn een ongerechtvaardigde inmenging in hun gezinsleven zou betekenen. De advocaat-generaal onderschreef dit standpunt en stelde dat de rechtszekerheid niet werd geschaad, terwijl appellanten belang hadden bij het vestigen van een familierechtelijke band.
Het hof oordeelde dat toepassing van de termijn in deze omstandigheden onaanvaardbaar was en een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven betekende. Daarom liet het hof de termijn buiten beschouwing, vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en tot vaststelling van het vaderschap van de biologische vader toe.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader toe en stelt het vaderschap van de biologische vader vast, waarbij de wettelijke termijn buiten toepassing wordt gelaten.