In deze strafzaak stond verdachte terecht voor doodslag op een 86-jarige man, waarbij hij het slachtoffer met een zware aardewerken vaas op het hoofd sloeg, wat uiteindelijk leidde tot het overlijden van het slachtoffer ruim anderhalve maand later. Daarnaast werd verdachte verdacht van diefstal van een geldbedrag uit de woning van het slachtoffer.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 23 april 2005 met opzet het slachtoffer met een vaas op het hoofd sloeg, waarbij de vaas in stukken brak. Deskundigen bevestigden dat het letsel door het slaan met de vaas kon zijn veroorzaakt. Verdachte bekende het slaan en het wegnemen van een envelop met geld uit de kast van het slachtoffer.
De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, stellende dat verdachte zich verdedigde tegen een wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. Het hof verwierp deze verweren omdat de reactie disproportioneel was en niet subsidiariteit voldeed. Het slaan met een zware vaas op het hoofd van een kwetsbare 86-jarige werd als een disproportionele en strafbare daad beoordeeld.
De rechtbank veroordeelde verdachte eerder tot 6 jaar gevangenisstraf voor de diefstal, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde hem tot 8 jaar gevangenisstraf voor de doodslag. De vaas werd verbeurd verklaard, het grootste deel van het geld werd teruggegeven aan de erfgenamen, en de schadevergoedingsmaatregel werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gekwalificeerde doodslag.