ECLI:NL:GHAMS:2006:AW2108
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.L.G.A. Stille
- L.J. Saarloos
- P.J.N. van Os
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tuchtrechtelijke klacht tegen gerechtsdeurwaarder wegens beslaglegging
In deze zaak hebben appellanten, bestaande uit een besloten vennootschap en haar directeur, hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam die hun klacht tegen een gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaarde.
De klacht betrof twee beslagen: een beslag op roerende zaken op 18 juli 2003, waarvan appellanten stelden dat deze onrechtmatig was omdat de goederen eigendom waren van de vennootschap en niet van de beslaglegger, en een beslag op een onroerende zaak op 5 november 2003, dat volgens appellanten onterecht was gelegd terwijl er een cassatieprocedure liep.
Het hof overweegt dat de beoordeling van de rechtmatigheid van beslag niet tot de taak van de tuchtrechter behoort, maar aan de executierechter is voorbehouden. Wel kan een beslag evident onrechtmatig zijn en daarmee een tuchtrechtelijke norm overschrijden, maar dat was hier niet het geval. De gerechtsdeurwaarder had voldoende grond om het beslag te leggen en heeft het beslag na een kort geding opgeheven. Ook het tweede beslag was niet onrechtmatig, mede omdat de gerechtsdeurwaarder niet op de hoogte was van de cassatieprocedure en het opheffen van het beslag enige tijd kost.
Het hof bevestigt de beslissing van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en verklaart de klacht ongegrond. De uitspraak werd gedaan door de rolraadsheer namens het hof op 13 april 2006.
Uitkomst: De klacht tegen de gerechtsdeurwaarder wegens onrechtmatige beslaglegging wordt ongegrond verklaard.