ECLI:NL:GHAMS:2006:AX0093

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1966/04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T.A.C. van Hartingsveldt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1015 lid 1 juncto Art. 225 lid 2 RvArt. 1015 lid 2 juncto Art. 227 lid 1 RvArt. 7:908 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot hervatting geschorste procedure aandelenlease en Wcam-verzoek

In deze zaak is X in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam betreffende aandelenlease-overeenkomsten met Dexia Bank Nederland NV. X vordert onder meer vernietiging van de overeenkomsten en schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten van Dexia.

De procedure werd geschorst op verzoek van Dexia op grond van artikel 1015 lid 1 juncto Pro artikel 225 lid 2 Rv Pro, in verband met een lopend verzoek tot verbindendverklaring van een overeenkomst op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (Wcam). X verzocht vervolgens om hervatting van de geschorste procedure.

Het hof oordeelt dat het niet aangewezen is vooruit te lopen op de beslissing in de Wcam-procedure en dat er geen aanwijzingen zijn dat het verzoek van Dexia in die procedure niet zal worden toegewezen. Ook is het niet aannemelijk dat de behandeling van het Wcam-verzoek onaanvaardbaar lang zal duren. Verder is geen sprake van misbruik van procesrecht door Dexia bij het schorsen van de procedure. Daarom wijst het hof het verzoek tot hervatting af.

Uitkomst: Het verzoek tot hervatting van de geschorste procedure wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE ENKELVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ROLBESCHIKKING
in de zaak van:
X,
wonende te Y,
APPELLANTE in het principaal appel,
geïntimeerde in het incidenteel appel,
procureur: mr. H.J. Bos,
t e g e n
de naamloze vennootschap
DEXIA BANK NEDERLAND NV,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE in het principaal appel,
appellante in het incidenteel appel,
procureur: mr. J.M.K.P. Cornegoor.
Partijen worden hierna X en Dexia genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Bij dagvaarding van 29 september 2004 is X in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam onder zaak-/rolnummer 00000/H00.0000 tussen partijen heeft gewezen en dat is uitgesproken op 30 juni 2004.
1.2. Bij memorie heeft X acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en – samengevat – primair voor recht zal verklaren dat X de in het petitum genoemde aandelenlease-overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd, subsidiair voor recht zal verklaren dat Dexia toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens X en/of onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en bovendien Dexia zal veroordelen tot vergoeding van de door X geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander met kosten.
1.3. Dexia heeft bij memorie van antwoord in het principaal appel de grieven van X bestreden, harerzijds voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, daartoe twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met kosten.
1.4. X heeft bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel de grieven van Dexia bestreden.
1.5. Vervolgens zijn de stukken in beide instanties gefourneerd voor het houden van pleidooi. De pleidooidatum was vastgesteld op 1 december 2005. Dit pleidooi is niet gehouden, aangezien Dexia inmiddels bij exploit van 28 november 2005 overeenkomstig artikel 1015 lid 1 juncto Pro artikel 225 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de schorsing van de procedure had ingeroepen.
1.6. X heeft bij exploit van 21 december 2005 overeenkomstig artikel 1015 lid 2 juncto Pro artikel 227 lid 1 Rv Pro de hervatting van het geschorste geding verzocht.
1.7. Dexia heeft hierop een antwoordakte genomen, waarna partijen een rolbeschikking hebben verzocht.
2. Beoordeling
2.1. X beroept zich erop dat het zeer waarschijnlijk is dat het hof Dexia en de belangenorganisaties in hun verzoek tot verbindendverklaring van de overeenkomst op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (Wcam) niet ontvankelijk zal verklaren. Er is voor de rolraadsheer evenwel geen aanleiding vooruit te lopen op de beslissing die het hof zal nemen in de procedure op grond van de Wcam. Niet kan worden gezegd dat vaststaat dat het verzoek van Dexia c.s. in de Wcam-procedure niet tot toewijzing zal leiden.
2.2. Voorts voert X aan dat in de onderhavige procedure geen schadevergoeding wordt gevorderd, althans geen schadevergoeding, in vergoeding waarvan de overeenkomst voorziet. De rolraadsheer kan X hierin niet volgen nu X toch onder meer schadevergoeding vordert, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, welke schade zij naar haar zeggen heeft geleden als gevolg van toerekenbaar tekortschieten van Dexia in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de aandelenlease-overeenkomsten.
2.3. X stelt dat zij reeds een verklaring op grond van artikel 7:908 lid 2 BW Pro heeft ingediend, als bedoeld in artikel 1015 lid 2 sub b Rv Pro. Een dergelijke verklaring kan evenwel eerst worden ingediend nadat de overeenkomst verbindend is verklaard en kan thans de schorsing niet verhinderen.
2.4. X stelt voorts dat te verwachten is dat de behandeling van het verzoek op grond van de Wcam onaanvaardbaar lang zal duren. De rolraadsheer is van oordeel dat dit niet het geval is. Het hof heeft de behandeling van het verzoek met de nodige voortvarendheid opgepakt.
2.5. Tot slot voert X aan dat Dexia misbruik van procesrecht maakt door gebruik te maken van de mogelijkheid om de procedure te schorsen. Niet valt in te zien dat een partij die gebruik maakt van de haar in de wet geboden middelen op zichzelf reeds misbruik van procesrecht zou maken indien de wederpartij daardoor langer op een beslissing in haar zaak moet wachten. Dit is immers een voorzien gevolg van het wettelijk stelsel. Redenen om in dit geval aan te nemen dat Dexia misbruik van procesrecht zou maken zijn onvoldoende (gemotiveerd) gesteld en/of aannemelijk geworden.
2.6. Een en ander leidt tot de slotsom dat er geen aanleiding bestaat de geschorste procedure te hervatten.
3. Beslissing
3.1. De rolraadsheer:
3.2. wijst het verzoek tot hervatting van het geschorste geding af.
Deze rolbeschikking is gegeven door mr. T.A.C. van Hartingsveldt en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2006.