ECLI:NL:GHAMS:2006:AY6618
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.E. de Winter
- R.C.P. Haentjens
- P.C. Kortenhorst
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs bij verhuur panden
De verdachte werd beschuldigd van strafbare feiten gerelateerd aan de verhuur van drie panden, waarvan één eigendom was van de verdachte en twee eigendom van een rechtspersoon. Het hof stelde vast dat voor het pand van de verdachte zelf geen wettig en overtuigend bewijs bestond dat de tenlastegelegde gedragingen hadden plaatsgevonden.
Voor de panden van de rechtspersoon oordeelde het hof dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid mogelijk bij de rechtspersoon zelf ligt. Artikel 51 Sr Pro biedt de mogelijkheid om ook personen binnen de rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk te stellen, maar aangezien de verdachte niet als zodanig was gedagvaard en de tenlastelegging dit niet toeliet, kon het hof de verdachte hiervoor niet aansprakelijk houden.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Haarlem en sprak de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De advocaat-generaal had een veroordeling gevorderd, maar het hof vond het bewijs onvoldoende. De verdediging had ook aangevoerd dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld, maar het hof hoefde dit niet te behandelen vanwege de vrijspraak op bewijsgrond.
De uitspraak werd gedaan door de 4e meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 14 augustus 2006 na behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.