ECLI:NL:GHAMS:2006:AY6618

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
23-006079-04
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs bij verhuur panden

De verdachte werd beschuldigd van strafbare feiten gerelateerd aan de verhuur van drie panden, waarvan één eigendom was van de verdachte en twee eigendom van een rechtspersoon. Het hof stelde vast dat voor het pand van de verdachte zelf geen wettig en overtuigend bewijs bestond dat de tenlastegelegde gedragingen hadden plaatsgevonden.

Voor de panden van de rechtspersoon oordeelde het hof dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid mogelijk bij de rechtspersoon zelf ligt. Artikel 51 Sr Pro biedt de mogelijkheid om ook personen binnen de rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk te stellen, maar aangezien de verdachte niet als zodanig was gedagvaard en de tenlastelegging dit niet toeliet, kon het hof de verdachte hiervoor niet aansprakelijk houden.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Haarlem en sprak de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De advocaat-generaal had een veroordeling gevorderd, maar het hof vond het bewijs onvoldoende. De verdediging had ook aangevoerd dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld, maar het hof hoefde dit niet te behandelen vanwege de vrijspraak op bewijsgrond.

De uitspraak werd gedaan door de 4e meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 14 augustus 2006 na behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

arrestnummer:
parketnummer: 23-006079-04
datum uitspraak: 14 augustus 2006
TEGENSPRAAK
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 10 december 2004 in de strafzaak onder parketnummer 15-061067-03 van het openbaar ministerie tegen
[verdachte]
Omvang van het hoger beroep
Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van - kort gezegd - het behulpzaam zijn van [betrokkene]. Nu het openbaar ministerie daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, wordt het hoger beroep van verdachte geacht zich daarover niet uit te strekken.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 november 2004 en op de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2006.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep - voorzover in hoger beroep nog aan de orde - kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, primair vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en subsidiair omdat sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Aan de verdachte zijn strafbare feiten tenlastegelegd die verband houden met de verhuur van (a) een pand dat ten tijde van het tenlastegelegde eigendom van verdachte was, en (b) twee panden die destijds eigendom waren van [rechtspersoon].
Ten aanzien van het onder (a) bedoelde pand acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat een gedraging zoals tenlastegelegd zich heeft voorgedaan. Ten aanzien van de onder (b) bedoelde panden geldt dat het tenlastegelegde feiten betreft die mogelijk de beschikkingsbevoegde rechtspersoon kunnen worden verweten. Weliswaar biedt artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid tevens degene die binnen de rechtspersoon opdracht tot een dergelijke gedraging heeft gegeven of er feitelijk leiding aan heeft gegeven strafrechtelijk aansprakelijk te stellen, maar nu de verdachte niet als zodanig is gedagvaard en een redelijke interpretatie van de tenlastelegging een dergelijke uitleg niet toelaat, kan het tenlastegelegde ook in zoverre niet wettig en overtuigend worden bewezen en moet verdachte worden vrijgesproken.
Nu verdachte op hierboven besproken gronden wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde behoeven de verweren van de verdediging geen verdere bespreking meer.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de 4e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.E. de Winter, mr. R.C.P. Haentjens en mr. P.C. Kortenhorst, in tegenwoordigheid van mr. M.E.P. Bons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 augustus 2006.