ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ9586

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
458/06
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 401a RvArt. 426 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor beroep in cassatie tegen tussenbeschikking in familierechtzaak

In deze familierechtzaak tussen de man en de moeder heeft het hof op 21 september 2006 een tussenbeschikking gegeven waarin de Raad voor de Kinderbescherming werd verzocht onderzoek te doen naar de contactregeling tussen de man en het kind.

De moeder verzocht het hof uitdrukkelijk om haar toe te staan beroep in cassatie in te stellen tegen deze tussenbeschikking. De man verzette zich hiertegen, stellende dat tegen tussenbeschikkingen geen hoger beroep of cassatie openstaat.

Het hof oordeelde dat er voldoende grond was om het verzoek van de moeder toe te wijzen en vulde de tussenbeschikking aan met de bepaling dat de moeder dadelijk beroep in cassatie kan instellen. Deze beslissing werd op 7 december 2006 door het hof uitgesproken.

Uitkomst: Het hof staat toe dat de moeder beroep in cassatie instelt tegen de tussenbeschikking van 21 september 2006.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 7 december 2006 in de zaak met rekestnummer 458/06 van:
[...],
wonende te [...],
APPELLANT,
procureur: mr. N. van ‘t Hoogerhuijs,
t e g e n
[...],
wonende op een onbekend adres,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. L.C. Trompetter.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de moeder genoemd.
1.2. Het hof heeft op 21 september 2006 een tussenbeschikking gegeven, waarnaar hier wordt verwezen voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die dag. Bij de tussenbeschikking is de behandeling pro forma aangehouden tot 18 januari 2007 met het verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm kunnen geven aan contacten tussen de man en [het kind] en omtrent de resultaten daarvan schriftelijk rapport te doen opmaken, hieromtrent advies uit te brengen en het hof bedoeld rapport en advies ruim voor laatstgenoemde datum te doen toekomen en is verder iedere beslissing aangehouden.
1.3. Van de zijde van de moeder is bij telefax gedateerd 25 oktober 2006, ingekomen ter griffie van het hof op 25 oktober 2006, verzocht om haar uitdrukkelijk toe te staan in cassatie te komen van de tussenbeschikking van 21 september 2006.
1.4. Het hof heeft de man in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 16 november 2006 schriftelijk op het verzoek van de moeder te reageren.
1.5. Bij brief van 10 november 2006, ingekomen ter griffie van dit hof op 10 november 2006, is namens de man naar voren gebracht dat hij geen enkele reden ziet waarom hij akkoord zou moeten gaan met het door de moeder ingediende verzoek. De man stelt dat de regel is dat van tussenbeschikkingen geen hoger beroep of cassatie openstaat.
2. Beoordeling
Het hof acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, voldoende grond aanwezig om het verzoek van de moeder in te willigen. De tussenbeschikking van dit hof van 21 september 2006 zal op de voet van artikel 401a lid 2 juncto artikel 426 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden aangevuld als hierna te melden.
3. Beslissing
Het hof:
vult de tussenbeschikking van 21 september 2006 aan en bepaalt dat de moeder van die beschikking dadelijk beroep in cassatie kan instellen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A.M. de Wit, S. Clement en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. T.E.D.M. Zijlmans als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2006 door de rolraadsheer.