ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ5871
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- D.B. Bijl
- E.M. Vrouwenvelder
- J.W. Zwemmer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waarde aandelen bij naheffingsaanslag omzetbelasting na faillissement fiscale eenheid
Belanghebbende, een fiscale eenheid, zag een van haar dochtervennootschappen failliet gaan op 14 februari 2002. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op over de periode 1 tot en met 13 februari 2002, waarbij de vraag speelde in hoeverre vorderingen van strategische crediteuren oninbaar waren. Deze crediteuren werkten mee aan de voortzetting van activiteiten via de houdstermaatschappij en ontvingen een deel van hun vorderingen in contanten en aandelen tegen een uitgifteprijs van € 0,267 per aandeel. Bij beursintroductie bedroeg de koers € 0,82.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of bij de bepaling van het oninbare deel van de vordering rekening moest worden gehouden met de hogere beurskoers. Het hof oordeelde dat de waarde van de aandelen voor de crediteuren gelijk is aan de uitgifteprijs, omdat op het moment van faillissement en beoordeling (13 februari 2002) geen zekerheid bestond over een hogere betaling. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat een hogere betaling dan het contante bedrag plus de uitgifteprijs te verwachten was.
Het hof benadrukte dat de beurskoers niet leidend is voor de subjectieve waarde van de aandelen in deze context, mede vanwege lock-up regelingen en het feit dat de aandelen niet gelijk waren aan beursgenoteerde aandelen. De rechtbank had de naheffingsaanslag correct vastgesteld en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de waarde van de aandelen gelijk is aan de uitgifteprijs van € 0,267 per aandeel en wijst het hoger beroep af.