ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7091

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2006/1159
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Röben
  • Smeeïng-Van Hees
  • Van der Weij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub b Faillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw bij belasting- en UWV-schulden

Appellant heeft van 1998 tot 2005 een kapperszaak geëxploiteerd en daarnaast sinds 2003 in loondienst gewerkt met een netto maandinkomen van €1.390.

De totale schuldenlast bedroeg bijna €990.000, waarvan ruim €858.000 aan de Belastingdienst en €85.000 aan het UWV. Deze schulden zijn ontstaan door ambtshalve naheffingsaanslagen voor loon- en omzetbelasting en onbetaalde werknemersverzekeringspremies over de periode 1999-2004.

Appellant betwist de omvang van de schulden en voert aan dat hij wel aangiften heeft gedaan, maar dat de administratie niet aan wettelijke eisen voldeed. Bezwaarprocedures lopen nog, maar ook bij honorering blijft een aanzienlijke schuld over.

Het hof oordeelt dat appellant niet te goeder trouw heeft gehandeld, omdat het gaat om periodieke aangifte- en betalingsverplichtingen die langdurig en omvangrijk onbetaald zijn gelaten zonder deugdelijke verontschuldiging.

Daarom faalt het hoger beroep en wordt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 november 2006 bekrachtigd, waarmee het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afwijst wegens niet te goeder trouw handelen bij belasting- en UWV-schulden.

Uitspraak

4 januari 2007
eerste civiele kamer
rekestnummer 2006/1159
G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M
nevenzittingsplaats Arnhem
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. B.J.H. Crans.
1 Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 november 2006 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 14 november 2006 (per fax) en op 15 november 2006 (per gewone post) ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van een brief met bijlagen van mr. S.M. van Luijk, advocaat van [appellant], van 4 december 2006.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 december 2006, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Luijk voornoemd, advocaat te Utrecht.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het volgende gebleken. [appellant] heeft van 1 juli 1998 tot en met 16 februari 2005 een kapperszaak genaamd [...] gedreven. Deze zaak heeft [appellant] op laatstgenoemde datum, naar hij stelt, om niet verkocht en overgedragen aan de heer [A.]. [appellant] heeft gedurende een periode – in ieder geval vanaf 2003 – naast het exploiteren van deze kapperszaak in loondienst gewerkt als magazijnmedewerker. Deze dienstbetrekking heeft [appellant] thans nog. Hij ontvangt daaruit een netto maandinkomen van € 1.390,-.
3.2 Volgens de zogenaamde verklaring schuldsanering heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 989.903,81. Hiervan maken onder meer deel uit een schuld aan de belastingdienst ondernemingen van € 858.653,- en een schuld aan UWV van € 85.036,19. De belastingdienst heeft in 2005 aan [appellant] ambtshalve berekende naheffingsaanslagen opgelegd van in totaal € 858.653,-. Deze naheffingsaanslagen hebben betrekking op het tijdvak 1999 tot en met 2004 en betreffen loon- en omzetbelasting. Het UWV heeft eveneens aan [appellant] ambtshalve aanslagen opgelegd, waaruit voormelde schuld van € 85.036,19 is ontstaan. Deze aanslagen betreffen onbetaalde premies werknemersverzekeringen.
3.3 [appellant] voert in hoger beroep aan dat over de periode 1999 tot en met 2004 wel aangiften betreffende de loon- en omzetbelasting zijn gedaan. Volgens hem heeft de belastingdienst ambtshalve aanslagen opgelegd omdat zijn administratie niet voldeed aan de wettelijke eisen. Tegen deze ambtshalve aanslagen heeft hij bezwaar gemaakt. De totale schuld aan de belastingdienst ter zake niet betaalde loonheffing en omzetbelasting bedraagt volgens [appellant] thans € 73.437,63. Tegen de ambtshalve aanslagen van UWV heeft [appellant] eveneens bewaar gemaakt. Deze bezwaarprocedure loopt nog. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat, zelfs als het bezwaar gehonoreerd wordt, nog een belastingschuld van tegen de € 70.000,- zal overblijven.
3.4 Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de belastingschuld en de schuld aan UWV niet te goeder trouw is geweest. Het gaat in casu om schulden die periodiek en op aangifte behoren te worden voldaan. Zeker als zulke schulden – zoals in casu – omvangrijk zijn en over een langere periode zijn ontstaan en onbetaald gelaten, heeft de schuldenaar een deugdelijke verontschuldiging nodig om aan toepassing van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en sub b Faillissementswet te ontkomen. In casu is het bestaan van zo’n verontschuldiging niet aannemelijk gemaakt. Met name is zo’n verontschuldiging niet gelegen in het betoog van [appellant].
3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 november 2006.
Dit arrest is gewezen door mrs. Röben, Smeeïng-Van Hees en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2007.