ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3693

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
295/05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 477a RvArt. 704 RvArt. 720 RvArt. 722 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Derdenbeslag op koopsom bij notaris na storting niet mogelijk

In deze zaak stond centraal of een derdenbeslag op de koopsom die een koper had gestort bij de notaris nog rechtsgeldig kon zijn. Mill Music B.V. legde beslag op gelden die X. als koper aan de verkoper A. verschuldigd was uit hoofde van een koopovereenkomst van een onroerend goed.

Het hof stelde vast dat de koopsom reeds op 13 maart 2004 door X. was gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris, waardoor X. geen gelden meer onder zich had die bestemd waren voor A. op het moment van het beslag op 17 maart 2004. Dit depot vormde een gemeenschap waarop koper en verkoper onder respectievelijk ontbindende en opschortende voorwaarden recht hadden.

Mill Music betwistte de verklaring van X. dat er geen vorderingen meer bestonden, maar het hof oordeelde dat deze betwisting ongegrond was. De levering vond plaats op 18 maart 2004, waarna de ontbindende voorwaarde voor X. verviel. Hierdoor was het beslag van Mill Music op de gelden van X. zonder doel.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde Mill Music in de kosten van het hoger beroep. Dit arrest bevestigt dat na storting van de koopsom bij de notaris derdenbeslag door andere schuldeisers niet mogelijk is.

Uitkomst: Het hof bevestigde dat het derdenbeslag op de koopsom bij de notaris zonder doel was en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MILL MUSIC B.V.,
gevestigd te Doetinchem,
APPELLANTE,
procureur: mr. R.N. van Regteren Altena,
t e g e n
X.
wonend te Y.,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. L.I. Boes.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1 De partijen worden hierna Mill Music en X. genoemd.
1.2 Op 16 februari 2006 heeft het hof een tussenarrest gewezen waaruit het verloop van het geding tot die datum blijkt.
1.3 Bij het tussenarrest heeft het hof Mill Music in de gelegenheid gesteld de gerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 477a lid 1 Rv. welke X. bij de memorie van antwoord heeft overgelegd te betwisten.
1.4 Mill Music heeft bij akte die gerechtelijke verklaring betwist.
1.5 X. heeft vervolgens eveneens bij akte die betwisting tegengesproken.
1.6 Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.
2. Beoordeling
2.1 Het hof blijft bij hetgeen is beslist bij tussenarrest.
2.2 Met de ‘verklaring derdenbeslag’, gedagtekend op 25 augustus 2005 te Amsterdam en ondertekend door X., verklaart laatstgenoemde dat er tussen hem en de schuldenaar A. te B. geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan A. op het tijdstip van beslag, 17 maart 2004, nog iets van X. had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.
2.3 Mill Music betwist de juistheid van deze verklaring, omdat op 17 maart 2004 wel een contractuele relatie bestond tussen X. enerzijds en A. anderzijds. Bij notariële akte van 18 maart 2004 is door A. aan X. uit hoofde van een koopovereenkomst geleverd het onroerend goed staande en gelegen aan (...), gemeente Z. Dit brengt mee dat ten tijde van de beslaglegging of daarna tussen A. en X. wel een contractuele relatie bestond en dat op of na 19 maart 2004 een betaling van X. aan A. moet hebben plaatsgevonden.
2.4 X. betwist de levering van het onroerend goed door A. niet, maar stelt zich op het standpunt dat hij op het moment van beslaglegging geen gelden onder zich had die bestemd waren voor A., doordat de koopsom die hij krachtens de koopovereenkomst diende te voldoen, reeds voor of op 13 maart 2004 stond bijgeschreven op de kwaliteitsrekening van de notaris. De koopsom was derhalve op het tijdstip van het beslag reeds uit de macht van X.
2.5 Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat (i) in geval van derdenbeslag de derde-beslagene, zonder daartoe zelf aanleiding te geven, betrokken wordt in het geding tussen de executant en de geëxecuteerde; (ii) de derde-beslagene als gevolg van het derdenbeslag niet in een slechtere positie mag komen dan waarin hij stond tegenover de geëxecuteerde; (iii) een derde-beslagene in beginsel ook niet meer aan de executerende partij zal behoeven te voldoen, of ter beschikking te stellen, dan hij aan de geëxecuteerde schuldig was of aan deze diende af te geven.
De verplichting van X. jegens A. bestond erin dat hij ten tijde van de levering van het onroerend goed de kooprijs moest voldoen, waarbij overeenkomstig de wettelijke regeling ten tijde van de ondertekening van de akte van levering het bedrag van de koopsom uit zijn macht moest zijn gebracht. X. werd door storting van de koopsom in het depot van de notaris rechthebbende op de gemeenschap die het depot vormt onder de ontbindende voorwaarde dat de levering van het onroerend goed zou plaatsvinden. Omgekeerd werd A. rechthebbende onder opschortende voorwaarde. Door de levering op 18 maart 2004 is de ontbindende voorwaarde ten aanzien van X. vervuld. Dit brengt mee dat hij geacht wordt op het moment van storting van de koopsom onder de notaris 13 maart 2004 aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst jegens A. te hebben voldaan, zodat X. ten tijde van de beslaglegging geen gelden ten behoeve van A. meer onder zich had. Het derdenbeslag ten laste van A. onder X. op 17 maart 2004 trof derhalve geen doel.
2.6 Gesteld noch gebleken is dat A. ten tijde van de beslaglegging of nadien tot het tijdstip van het doen van de verklaring andere vorderingen op X. had.
3. Slotsom en kosten
Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat Mill Music op onjuiste gronden de verklaring van X. heeft betwist. Het onder X. gelegde beslag is derhalve van onwaarde. De afwijzing van de vordering door de kantonrechter kan, zij het op geheel andere gronden, worden bekrachtigd. Mill Music zal de kosten van het hoger beroep hebben te dragen.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Mill Music in de kosten van het beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van X. gevallen, op € 244 aan verschotten en € 1.341 aan salaris procureur;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.G. Wiewel, J.H. Huijzer en C.E. van Oosten-van Smaalen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2007.