ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1424
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- N. van Lingen
- E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell
- H.G. Hermans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslag en verjaring wettelijke rente bij vordering tot opheffing beslag
In deze zaak vordert appellant [X] de opheffing van een beslag gelegd door Direktbank Financieringen B.V. Het geschil spitst zich toe op de beslagvrije voet, die door Direktbank is gehalveerd wegens weigering van [X] om inzicht te geven in zijn inkomsten en financiële situatie. Het hof oordeelt dat bij gebrek aan voldoende betwisting de stellingen van Direktbank voorshands als juist moeten worden aangenomen, waardoor het beslag geldig blijft.
Daarnaast betoogt [X] dat de vordering tot wettelijke rente verjaard is op grond van artikel 3:308 BW Pro. Het hof wijst dit af omdat de vordering voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak waarbij naast de hoofdsom ook rente is toegewezen. Op grond van artikel 3:324 lid 1 BW Pro geldt een verjaringstermijn van 20 jaar, die nog niet is verstreken. Het hof verwerpt het verweer dat een andere berekening van de renteverjaring zou moeten gelden op basis van artikel 6:119 lid 2 BW Pro, omdat het oude recht van toepassing is.
De overige grieven van appellant, waaronder de afwijzing van het verbod op invordering van wettelijke rente en de proceskostenveroordeling, worden eveneens verworpen. Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt [X] in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de grieven van appellant af, waarbij het beslag blijft gehandhaafd en de vordering tot wettelijke rente niet verjaard is.