ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1629

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
806/07
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ondertoezichtstelling van jongste kinderen na uithuisplaatsing oudste dochter

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling van haar twee jongste kinderen, een dochter en een zoon, had bevolen. Deze maatregel volgde op de uithuisplaatsing van haar oudste dochter. Bureau Jeugdzorg Noord-Holland had de Raad voor de Kinderbescherming verzocht het onderzoek uit te breiden naar de jongste kinderen, waarna de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling indiende.

Tijdens de zitting in hoger beroep stelde de moeder dat zij de ondertoezichtstelling niet als ondersteuning ervaart, maar als een bedreiging. De Raad erkende dat het goed gaat met de kinderen en dat de ondertoezichtstelling bedoeld was als preventieve zorg. Omdat de moeder de maatregel als bedreigend ervaart, achtte de Raad het doel niet bereikt.

Het hof oordeelde dat uit de stukken en de behandeling in hoger beroep niet is gebleken dat de jongste kinderen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd. Ook de Raad kon geen actuele zorgen over de kinderen aantonen. Daarom zijn onvoldoende gronden aanwezig om de ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek van de Raad af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de ondertoezichtstelling van de jongste kinderen wegens gebrek aan ernstige bedreiging van hun belangen.

Uitspraak

Bij vervroeging
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 22 november 2007 in de zaak met rekestnummer 806/07 van:
[DE MOEDER],
wonende te [woonplaats moeder],
APPELLANTE,
procureur: mr. A.M.G. de Groot,
t e g e n
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Amsterdam en Gooi & Vechtstreek, locatie Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.
1.2. De moeder is op 13 juli 2007 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 april 2007 van de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 367469 / 07.877.
1.3. De zaak is op 15 oktober 2007 ter terechtzitting behandeld.
1.4. Namens de Raad is [naam vertegenwoordiger van de Raad] verschenen. Voorts is de gezinsvoogdes, [naam gezinsvoogdes]verschenen.
1.5. Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de Raad nog stukken aan het hof toegezonden.
2. De feiten
2.1. Uit de relatie tussen de moeder en [de vader van de dochter] (hierna: de vader van de dochter) is geboren [de dochter] [geboortedatum dochter]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [de dochter]. [de dochter] verblijft bij de moeder.
2.2. Uit de relatie tussen de moeder en [de vader van de zoon] (hierna: de vader van de zoon) is geboren [de zoon]op [geboortedatum van de zoon]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [de zoon]. [de zoon] verblijft bij de moeder.
2.3. Naar aanleiding van de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de oudste dochter van de moeder, [de oudste dochter], geboren op [geboortedatum van de oudste dochter], heeft Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, gevestigd te Haarlem, locatie Haarlem, (hierna: BJZ N-H) de Raad verzocht zijn onderzoek uit te breiden naar [de dochter] en [de zoon]. De Raad heeft op 18 april 2007 gerapporteerd.
2.4. Naar aanleiding van het rapport heeft de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] ingediend.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking van 24 april 2007 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is – voor zover thans van belang – het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] toegewezen. [de dochter] en [de zoon] zijn met ingang van 24 april 2007 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van BJZ N-H.
3.2. De moeder verzoekt – naar het hof begrijpt –, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de Raad ter zake de ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] alsnog af te wijzen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder gesteld dat zij de ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] niet ervaart als een ondersteuning van haar opvoedende taak. Zij ervaart het veeleer als een bedreiging.
4.2. De Raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het goed gaat met [de dochter] en [de zoon]. De Raad stelt de ondertoezichtstelling van de twee kinderen te hebben verzocht in het kader van preventieve zorg. Nu de moeder echter heeft aangegeven dat zij de ondertoezichtstelling als bedreigend ervaart, is de Raad zijn doel voorbij geschoten, aldus [de vertegenwoordiger van de Raad]. De Raad refereert zich zodoende aan het oordeel van het hof.
4.3. Het hof is van oordeel dat – gelet op hetgeen uit de stukken en bij de behandeling in hoger beroep naar voren is gekomen – niet is komen vast te staan dat [de dochter] en [de zoon] zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen dan wel hun gezondheid ernstig worden bedreigd. Ook van de zijde van de Raad is niet gebleken dat er thans nog zorgen over de kinderen zijn. Het hof overweegt dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn die een ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] rechtvaardigen. De bestreden beschikking zal dan ook worden vernietigd.
4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Gonggrijp-van Mourik, M. Wigleven en R.C. Gisolf in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Maten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2007 door de rolraadsheer.