ECLI:NL:GHAMS:2007:BC3311
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Valk
- Wesseling-Lubberink
- Van Osch
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verzwijging bij arbeidsongeschiktheidsverzekering en vernietiging overeenkomst
Appellant, een zelfstandig ondernemer, sloot in 1998 een arbeidsongeschiktheidsverzekering af bij Achmea. Na meldingen van arbeidsongeschiktheid wegens overspannenheid stopte Achmea de uitkering omdat appellant zijn werkzaamheden voor meer dan 75% kon verrichten en wegens het staken van zijn bedrijf. Appellant vorderde volledige uitkering over de periode 2003-2004.
Achmea stelde dat appellant onvolledig en onjuist had geantwoord op vragen over psychische klachten en behandelingen in de gezondheidsverklaring, met name over psychiatrische opnames en behandelingen die appellant had verzwegen. Dit werd aangemerkt als verzwijging in de zin van artikel 251 K Wetboek van Koophandel, wat rechtvaardigt dat Achmea de verzekeringsovereenkomst vernietigt.
Het hof oordeelde dat appellant bekend was met de feiten die hij verzweeg en dat deze voor Achmea relevant waren bij het aangaan van de verzekering. Het niet volledig beantwoorden van concrete vragen over psychische klachten en behandelingen leidde tot een onvolledig antwoord. Achmea mocht vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie en hoefde geen nader onderzoek te verrichten. De vernietiging van de overeenkomst door Achmea was dan ook terecht.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Utrecht en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep. De grieven van appellant werden verworpen omdat het beroep op verzwijging slaagde en de overeenkomst vernietigd kon worden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de verzekeringsovereenkomst vernietigd wegens verzwijging door appellant.