ECLI:NL:GHAMS:2007:BD2297
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.M.A. Gerritzen-Gunst
- M.E. van Zandwijk-Hillebrands
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake toepassing artikel 4:15 BW en vaststelling geldvordering in erfrechtelijke nalatenschap
Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter die hun verzoeken tot wijziging van de vaststelling van hun geldvordering op de nalatenschap van hun overleden vader heeft afgewezen. De kantonrechter had artikel 4:15 BW Pro niet van toepassing geacht omdat de nalatenschap voor 2003 was opengevallen.
Het hof overweegt dat artikel 4:15 BW Pro wel onmiddellijke werking heeft en dus van toepassing is, maar dat dit artikel niet analoog kan worden toegepast op de vaststelling van de geldvordering op basis van het testament, aangezien hier geen wettelijke verdeling aan de orde is. Daarnaast is de subsidiaire stelling van benadeling als bedoeld in artikel 3:196 BW Pro niet inhoudelijk behandeld door de kantonrechter, die terecht oordeelde dat dit via dagvaarding moet.
Daarom vernietigt het hof de beschikking en verwijst de zaak naar de civiele sector van de rechtbank Amsterdam, waarbij de procedure wordt voortgezet volgens de dagvaardingsregels en partijen hun stellingen kunnen aanpassen. Het hof volgt hiermee het verzoek van appellanten deels en wijst het verzoek van geïntimeerde af.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor behandeling volgens de dagvaardingsprocedure met mogelijkheid tot aanpassing van stellingen.