ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7411
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Meijer
- Smeeïng-van Hees
- Knottnerus
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling
De rechtbank Utrecht had bij vonnis van 12 november 2007 de wettelijke schuldsaneringsregeling van appellant tussentijds beëindigd wegens het niet voldoen aan de inspanningsverplichting om inkomen uit arbeid te genereren, onvoldoende informatieverstrekking aan de bewindvoerder en het ontstaan van een nieuwe schuld van circa €1.656.
Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij altijd gewerkt had en dat hij de nieuwe schuld snel zou kunnen aflossen. Het hof oordeelde echter dat appellant onvoldoende had weersproken dat hij de bewindvoerder onvoldoende had geïnformeerd en dat de nieuwe schuld, mede veroorzaakt door een te hoge fiscale toeslag, te hoog was om binnen de looptijd van de regeling af te lossen.
Het hof stelde vast dat de gronden van appellant geen doel troffen en dat er onvoldoende omstandigheden waren om de regeling voort te zetten. Vanwege een wetswijziging per 1 januari 2008 en een te laag boedelsaldo van €1.052,23 kon het hof niet uitspreken dat appellant van rechtswege failliet zou zijn. Daarom werd de regeling beëindigd met ingang van één maand na het onherroepelijk worden van het arrest.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de beslissing uit in een duidelijk dictum. De uitspraak werd gedaan tijdens een openbare terechtzitting op 31 januari 2008.
Uitkomst: De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd met ingang van één maand na het onherroepelijk worden van het arrest.