ECLI:NL:GHAMS:2008:BE9842
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens niet-indiening appelschriftuur in hoger beroep
In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2007. Tijdens de procedure in hoger beroep is echter geen appelschriftuur door de officier van justitie ingediend, ondanks meerdere verzoeken daartoe door de advocaat-generaal en het gerechtshof.
De voorzitter van het hof constateerde dat het gebod uit artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd en dat de advocaat-generaal geen geldige redenen kon geven voor het uitblijven van de appelschriftuur. Dit leidde tot beraad in raadkamer en de beslissing dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraken in het vonnis.
De advocaat-generaal erkende dat herhaalde verzoeken aan de officier van justitie om de appelmemorie op te maken onbeantwoord zijn gebleven. Het hof achtte de sanctie van niet-ontvankelijkheid passend gezien het procesverloop en het ontbreken van een appelschriftuur, waarmee het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraken is afgewezen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet indienen van de appelschriftuur.