ECLI:NL:GHAMS:2008:BF7439
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Smeeïng-van Hees
- Groen
- Van den Brink
- Rechtspraak.nl
Weigering instemming buitengerechtelijk akkoord door schuldeiser gegrond verklaard
Het geschil betreft de weigering van RBS om in te stemmen met een buitengerechtelijk akkoord aangeboden door schuldenaren, die hun schulden wilden saneren via het Bureau Schuldhulpverlening. Schuldenaren vorderden dat RBS schriftelijk zou instemmen met het akkoord waarbij RBS 29,9% van haar vordering zou ontvangen. De voorzieningenrechter had dit afgewezen, waarna hoger beroep volgde.
Het hof stelt dat de weigering van RBS slechts als misbruik van bevoegdheid kan gelden indien de schuldeiser naar redelijkheid niet tot weigering had kunnen komen. Schuldenaren stelden dat zij sinds 2000 oplopende schulden hadden door diverse omstandigheden en dat zij hun woning hadden verkocht en een huurwoning betrokken. RBS was de enige schuldeiser die niet akkoord ging met het akkoord, mede vanwege het hogere feitelijke inkomen van schuldenaar sub 1, dat niet in het akkoord was verwerkt.
Het hof oordeelt dat de omstandigheden van schuldenaren niet van zodanig bijzondere aard zijn dat RBS niet tot weigering had kunnen komen. Het belang van RBS bij de waarborgen van de Faillissementswet, waaronder toezicht op de vermogenspositie, weegt zwaarder dan het emotionele belang van schuldenaren om een wettelijke schuldsaneringsregeling te vermijden. De stellingen van schuldenaren over de gedragscode van NVVK en hogere kosten bij wettelijke schuldsanering kunnen hieraan niet afdoen.
Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van schuldenaren af. Schuldenaren worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van schuldenaren af en bevestigt de weigering van RBS om in te stemmen met het akkoord.