ECLI:NL:GHAMS:2008:BG3563

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
23-3341-07
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SvArt. 68 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending beginselen behoorlijke procesorde bij tweede dagvaarding

De verdachte werd aanvankelijk gedagvaard voor de politierechter met een tenlastelegging van binnendringen, die onvoldoende feitelijk was omschreven en daarom nietig werd verklaard door de politierechter. Zonder hoger beroep in te stellen, dagvaardde het openbaar ministerie de verdachte opnieuw met dezelfde tenlastelegging voor een andere politierechter, wat leidde tot een veroordeling.

Het hof oordeelt dat deze tweede dagvaarding met dezelfde tenlastelegging zonder het oordeel van een hogere rechter in strijd is met het beginsel van zuiverheid van oogmerk en de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit omdat het openbaar ministerie hiermee de beslissing van de eerste politierechter negeert en zijn bevoegdheid tot dagvaarding voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze is gegeven.

Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Hierdoor wordt het belang van de verdeling van taken en bevoegdheden tussen rechter en openbaar ministerie gewaarborgd en wordt de verdachte beschermd tegen dubbele vervolging met dezelfde tenlastelegging zonder hoger beroep.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde bij tweede dagvaarding met dezelfde tenlastelegging.

Uitspraak

arrestnummer:
parketnummer: 23-3341-07
datum uitspraak: 17 september 2008
tegenspraak
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-452899-06 van het openbaar ministerie tegen
[de verdachte]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 mei 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2008.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvanke¬lijk moet worden verklaard in de strafvervolging op de grond dat in de zaak – naar het hof de raadsvrouw begrijpt – is gehandeld in strijd met beginselen van een be¬hoor¬lijke proces¬orde. De raadsvrouw heeft daartoe gesteld hetgeen in haar pleitnotities dienaangaande is opgenomen. Deze pleitnotities zijn bij de stukken van het dossier gevoegd en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.
De verdachte is gedagvaard onder parketnummer 13/452899-06 te verschijnen voor de politierechter te Amsterdam op 8 maart 2007. Aan de verdachte is tenlastegelegd – kort gezegd – dat hij op 8 december 2006 te Amsterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal.
De aantekening mondeling vonnis van 8 maart 2007 houdt in als beslissing van de politierechter dat de dagvaarding nietig is omdat de in de tenlastelegging gebezigde term “binnendringen”, onvoldoende feitelijk is omschreven.
Tegen deze beslissing van de politierechter, die op grond van het bepaalde in artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafvordering een einduitspraak is, is door het openbaar ministerie geen hoger beroep ingesteld.
De verdachte is evenwel door het openbaar ministerie ten tweede male gedagvaard te verschijnen voor een andere politierechter te Amsterdam op 15 mei 2007 in dezelfde zaak (met hetzelfde parketnummer) en met een gelijkluidende tenlastelegging die eerder op 8 maart 2007 door de politierechter als onvoldoende feitelijk was beschouwd. Deze tweede vervolging heeft geleid tot een veroordeling door de politierechter in de onderhavige zaak.
Door de verdachte met letterlijk dezelfde tenlastelegging te dagvaarden heeft de officier van justitie er blijk van gegeven het niet eens te zijn met de beslissing van de eerste politierechter.
De advocaat-generaal heeft op grond hiervan gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte wegens handelen in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde
Een van de uitgangspunten van het wettelijk systeem van strafvordering is dat in het geval één van de procespartijen zich niet kan vinden in een beslissing van de rechter, hij daartegen - in beginsel – bezwaar dan wel beroep kan instellen. Dit biedt voor procespartijen de mogelijkheid op te komen tegen hen onwelgevallige beslissingen van de strafrechter en de zaak voor te leggen aan een (andere) ‘hogere‘ rechter. Het is aan deze rechter voorbehouden beslissingen van de ‘lagere’ rechter te vernietigen of in stand te laten.
Daar staat tegenover dat een nietigverklaring van de dagvaarding geen einduitspraak is in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zodat door het openbaar ministerie in beginsel een nieuwe vervolging kan worden ingesteld terzake van hetzelfde feit in het geval de omstandigheid die aanleiding heeft gegeven tot de nietigverklaring van de dagvaarding is komen te vervallen of kan worden hersteld. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid is de officier van justitie evenwel gebonden aan voormeld uitgangspunt van het wettelijk systeem van strafvordering, hetgeen voortvloeit uit de wettelijk voorziene verdeling van taken en bevoegdheden tussen het openbaar ministerie en de rechter. Door de verdachte in de onderhavige zaak ten tweede male te dagvaarden voor de politierechter met een gelijkluidende tenlastelegging als waarover eerder door een andere politierechter was beslist, heeft hij er -zonder het oordeel van een hogere rechter in te roepen- blijk van gegeven zich niets gelegen te willen laten liggen aan de beslissing van de eerste politierechter en heeft hij zijn bevoegdheid tot het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het handelen van de officier van justitie een inbreuk is op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het beginsel van zuiverheid van oogmerk en dat deze inbreuk van zodanig fundamentele aard is, gelet op het belang dat is gediend met de inachtneming van voormelde bevoegdheidsverdeling, dat daarop moet worden gereageerd met niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte. Bij deze stand van zaken komt het hof niet meer toe aan de vraag of de officier van justitie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort heeft gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van verdachtes zaak.
Het verweer van de raadsvrouw treft mitsdien doel.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn strafvervolging ter zake van het tenlastegelegde.
Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. G.H. van Asperen en mr. A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2008.
Mr Van Asperen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.