ECLI:NL:GHAMS:2008:BG3751
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Indirect onderscheid op grond van handicap bij toekenning dienstauto niet objectief gerechtvaardigd
De zaak betreft een verzekeringsarts met een visuele handicap die bij indiensttreding geen dienstauto kreeg toegewezen, terwijl dit voor collega’s een secundaire arbeidsvoorwaarde was. In plaats daarvan kreeg zij een vergoeding voor openbaar vervoer, die voor haar vanwege haar handicap geen reële betekenis had.
De kantonrechter stelde vast dat het UWV hiermee in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel en het rechtsbeginsel dat gelijke arbeid gelijk moet worden beloond, en veroordeelde het UWV tot betaling van loon gelijk aan de waarde van de dienstauto met terugwerkende kracht.
Het UWV ging in hoger beroep en voerde aan dat er geen juridische aanspraak op een dienstauto bestond en dat het alternatief van een OV-jaarkaart voor verzekeringsartsen zonder dienstauto een objectieve rechtvaardiging vormde. Het hof verwierp dit standpunt, omdat de dienstauto een gebruikelijke secundaire arbeidsvoorwaarde was en het alternatief voor de gehandicapte verzekeringsarts niet bruikbaar was.
Het hof oordeelde dat sprake was van indirect onderscheid op grond van handicap dat niet objectief werd gerechtvaardigd, zowel voor als na de inwerkingtreding van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde het UWV in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het UWV indirect onderscheid maakt op grond van handicap en veroordeelt UWV tot betaling van loon gelijk aan de waarde van de dienstauto.