ECLI:NL:GHAMS:2008:BH5983
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep arbeidsongeschiktheidsverzekering: toewijzing uitkeringen en premievrijstelling
In deze civiele zaak vordert appellant betaling van uitkeringen en premievrijstelling op grond van een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Achmea, rechtsopvolger van Levob. De arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld door een controlearts op 23 juli 2003, na het faillissement van appellant's bedrijf in juni 2003. Achmea betwistte de arbeidsongeschiktheid op wisselende gronden, waaronder het ontbreken van objectief medisch vastgestelde stoornissen en het ontbreken van inkomensderving.
De rechtbank wees de vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing van de arbeidsongeschiktheid door appellant. In hoger beroep oordeelt het hof dat Achmea haar betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de vaststelling van arbeidsongeschiktheid door de controlearts en huisarts als voldoende bewijs geldt. Het hof stelt dat Achmea als verzekeraar een zorgplicht had om medisch onderzoek te bevorderen en dat het tijdsverloop de bewijsvoering bemoeilijkte, waardoor aan de motivering van Achmea hogere eisen worden gesteld.
Het hof wijst de gevorderde uitkeringen toe, verminderd tot het maximale bedrag onder rubriek B, en verklaart appellant recht te hebben op premievrijstelling vanaf 23 juli 2003 tot 1 februari 2006. De vordering tot creditering van premiefacturen wordt afgewezen wegens onduidelijkheid over de terugbetaling. Achmea wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Achmea wordt veroordeeld tot betaling van uitkeringen en premievrijstelling wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting van arbeidsongeschiktheid.