ECLI:NL:GHAMS:2008:BJ2322

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.006.842/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 1:153 lid 1 BWArt. 1:827 lid 1 sub f RvArt. 282 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding en verzoek scheiding van tafel en bed op grond van duurzame ontwrichting

Partijen zijn sinds 1948 gehuwd en hebben twee meerderjarige kinderen. De man verliet de echtelijke woning in 1982 en woont sindsdien samen met zijn huidige partner. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en wees het verzoek van de vrouw tot scheiding van tafel en bed af. De vrouw kwam in hoger beroep en stelde dat het huwelijk niet duurzaam ontwricht is, dat zij financieel gedupeerd zou worden door echtscheiding vanwege het nabestaandenpensioen en dat ontbinding van het huwelijk tegen haar geloofsovertuiging is.

De man betoogde dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, dat hij al ruim 25 jaar gescheiden leeft en zijn huidige partner wil erkennen. Het hof oordeelde dat het langdurig gescheiden leven en de ondraaglijkheid van voortzetting van het huwelijk voor de man een duurzame ontwrichting vormen. Het verzoek van de vrouw tot scheiding van tafel en bed werd ontvankelijk geacht, maar afgewezen omdat het geen wijziging zou brengen in de feitelijke situatie en het huwelijk in burgerlijke zin ontbonden dient te worden.

Het hof stelde vast dat de vrouw geen financiële duperingen ondervindt omdat zij het nabestaandenpensioen behoudt. De echtscheiding werd bekrachtigd en het verzoek tot scheiding van tafel en bed afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding en wijst het verzoek tot scheiding van tafel en bed af.

Uitspraak

(Bij vervroeging)
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 17 juli 2008 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.006.842/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANTE,
procureur: mr. D.J.I. Kroezen,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. M.I.T.Manderfeld.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2. De vrouw is op 30 mei 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 maart 2008 van de rechtbank te Amsterdam met kenmerk 368055 / FA RK 07-2823.
1.3. De man heeft op 10 juni 2008 een verweerschrift ingediend.
1.4. De zaak is op 3 juli 2008 ter terechtzitting behandeld.
1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de procureur van de vrouw;
- de man, bijgestaan door zijn procureur;
- mevrouw […], de partner van de man.
1.6. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
Partijen zijn op […] 1948 gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren. De man heeft de echtelijke woning in 1982 verlaten en woont sindsdien samen met zijn huidige partner.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang - het verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, toegewezen. Voorts is het zelfstandig verzoek van de vrouw de scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken afgewezen.
3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek dan wel dit verzoek alsnog af te wijzen. Voorts doet zij – zo begrijpt het hof – ook in hoger beroep het voorwaardelijk verzoek de scheiding van tafel en bed uit te spreken.
3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. De vrouw stelt dat geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk, ook al leven partijen al jarenlang feitelijk gescheiden. Het enkele feit van een afzonderlijke huishouding van partijen hoeft niet een duurzame ontwrichting in te houden, omdat voor een huwelijk samenwonen niet noodzakelijk is. De man heeft immers niet eerder om echtscheiding verzocht, terwijl de vrouw betwist dat de man niet eerder heeft geweten dat hij buiten haar medewerking kon scheiden. De vrouw stelt voorts dat zij ten gevolge van een echtscheiding bij vooroverlijden van de man gedupeerd zou raken, omdat zij dan niet in aanmerking komt voor het als weduwe van de man te ontvangen nabestaandenpensioen. Tot slot stelt de vrouw dat zij niet kan toestaan dat er in deze fase van haar leven en dat van de man een ontbinding van het huwelijk buiten de wil van God wordt doorgevoerd. Zij verzoekt dan ook voorwaardelijk in plaats van echtscheiding, scheiding van tafel en bed uit te spreken.
4.2. De man stelt dat het huwelijk van partijen wel duurzaam is ontwricht. Het huwelijk van partijen is nooit goed geweest. Er is geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen en een eventuele voortzetting van de samenleving met de vrouw respectievelijk van het huwelijk is voor hem ondraaglijk. Hij heeft reeds vele malen aan de vrouw aangegeven te willen scheiden en woont inmiddels ruim 25 jaar samen met zijn huidige partner, die hij graag bij leven als zodanig wil erkennen. De omzetting van het gegarandeerde nabestaandenpensioen vond plaats per […] 1999. De vrouw ontvangt gewoon het voor haar gereserveerde en opgebouwde nabestaandenpensioen na echtscheiding, zodat van financiële dupering van de vrouw door echtscheiding geen sprake is. Het voorwaardelijk verzoek van de vrouw tot het uitspreken van scheiding van tafel en bed voldoet niet aan de criteria van artikelen 282 lid 4 juncto 827 lid 1 f van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) en wordt voorts uitgesloten door zijn verzoek tot echtscheiding zodat de vrouw hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.3. Het hof overweegt als volgt. Op grond van geldende jurisprudentie dient, als één der echtgenoten onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij, hoe ook, met de andere echtgenoot niet meer kan samenleven, dit door de rechter te worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting van het huwelijk als bedoeld in artikel 1:151 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) inderdaad bestaat. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat partijen reeds 25 jaar gescheiden leven, dat de man sindsdien samenwoont met zijn huidige partner, een eventuele voortzetting van samenleving met de vrouw en ook van het huwelijk voor hem ondraaglijk is en hij zijn huidige partner bij leven wil erkennen. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat voor een huwelijk samenwonen niet noodzakelijk is, zoals de vrouw stelt, doet daaraan niet af. Nu de duurzame ontwrichting van het huwelijk vaststaat, dient het op haar geloofsovertuiging gebaseerde verzoek van de vrouw te worden besproken om, in plaats van echtscheiding, scheiding van tafel en bed uit te spreken.
4.4. Dit verzoek heeft betrekking op de door de man in eerste aanleg verzochte echtscheiding, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is. Anders dan de man meent wordt dit verzoek niet uitgesloten door zijn verzoek tot echtscheiding. Het beroep van de man op het bepaalde in artikel 1:827 lid 1 sub f Rv Pro kan geen doel treffen, aangezien deze bepaling ziet op het verzoek om een nevenvoorziening en het verzoek tot scheiding van tafel en bed niet als zodanig is aan te merken.
4.5. Weliswaar vervult de scheiding van tafel en bed een functie als opheffing der echtelijke samenleving zonder huwelijksontbinding vooreerst ten behoeve van hen wier godsdienstige beginselen zich verzetten tegen het vragen van echtscheiding, maar partijen leven reeds gedurende vele jaren gescheiden, terwijl, zoals ook de vrouw in haar verweer tegen duurzame ontwrichting stelt, de wet gehuwden niet langer verplicht tot samenwonen. Scheiding van tafel en bed zou derhalve geen wijziging brengen in de reeds bestaande feitelijke situatie. Zoals hiervoor overwogen is niet alleen een eventuele voortzetting van samenleving met de vrouw voor de man ondraaglijk, maar ook voortzetting van het huwelijk als zodanig en wenst de man, die thans 84 jaar oud is, voorts zijn huidige partner nog tijdens zijn leven als zodanig te erkennen. Gelet op deze omstandigheden en gezien het feit dat de wet in artikel 1:30 BW Pro het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen beschouwt, dient naar het oordeel van het hof het verzoek van de vrouw te worden afgewezen.
4.6. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de procureur van de vrouw de stelling van de man met betrekking tot de omzetting van het nabestaandenpensioen bevestigd. Het hof stelt derhalve vast dat geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 1:153 lid 1 BW Pro die ertoe zou moeten leiden dat de verzochte echtscheiding thans niet kan worden toegewezen.
4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Diender, C.G. Kleene-Eijk en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van
mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2008 door de rolraadsheer.