ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2725

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.019.076/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen voorlopige alimentatiebeschikking

Partijen zijn in 2003 gehuwd en de rechtbank heeft bij beschikking van 20 augustus 2008 de echtscheiding uitgesproken en een voorlopige alimentatieverplichting van de man aan de vrouw vastgesteld. De man kwam in hoger beroep tegen dit deel van de beschikking, waarbij hij verzocht de alimentatie te beperken tot € 768,- per maand en de duur te beperken tot vier jaar.

De rechtbank had de alimentatie voorlopig vastgesteld en de definitieve vaststelling aangehouden in afwachting van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het hof oordeelde dat het bestreden gedeelte een tussenbeschikking betrof die geen onherroepelijk karakter heeft en derhalve niet zonder meer vatbaar is voor hoger beroep.

Volgens artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan tegen een tussenbeschikking slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking of indien de rechtbank de mogelijkheid daartoe heeft opengesteld. Geen van deze voorwaarden was hier vervuld, waardoor het hof de man niet ontvankelijk verklaarde in zijn hoger beroep.

De overige inhoudelijke stellingen behoefden geen bespreking. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam op 21 april 2009.

Uitkomst: De man wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de voorlopige alimentatiebeschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 21 april 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer […] van:
[naam appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
APPELLANT,
advocaat: mr. G.J.M. Gussenhoven te Veenendaal,
t e g e n
[naam geïntimeerde],
wonende te [woonplaats geïntimeerde],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. A.A. van der Meulen te Hilversum.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2. De man is op 20 november 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 augustus 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk […].
1.3. De vrouw heeft op 12 januari 2009 een verweerschrift ingediend.
1.4. De zaak is op 5 maart 2009 ter terechtzitting behandeld, alwaar de advocaten van partijen zijn verschenen.
2. De feiten
Partijen zijn in 2003 gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – bepaald:
• dat de man € 1.950,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot het tijdstip dat deze uitkering definitief wordt vastgesteld;
• dat de behandeling omtrent de vaststelling van de definitieve alimentatie en de duur ervan wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de uitkering te bepalen op € 3.800,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, en op het verzoek van de man dit verzoek van de vrouw af te wijzen voor zover dit een bedrag van € 768,- per maand overschrijdt en te bepalen dat zijn alimentatieverplichting wordt beperkt tot vier jaar, althans tot het aantal jaren dat het huwelijk heeft geduurd.
3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de uitkering te bepalen op € 768,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, over een periode van vier jaar, althans over een zodanige periode als het hof juist zal achten.
3.3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
De ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep
4.1. Aan de orde is de vraag of de man ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
4.2. Uitgangspunt is dat indien het in hoger beroep bestreden gedeelte van een beschikking een (deel-)eindbeschikking is, hiertegen hoger beroep openstaat. In het geval van een voorlopige beslissing is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep uiteindelijk doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, niet meer in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt.
4.3. In het onderhavige geval heeft de rechtbank overwogen dat de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw voorlopig zal worden bepaald, zulks in afwachting van de beslissing omtrent de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, en dat deze uitkering zonodig daarna, eventueel met terugwerkende kracht, kan worden herzien (rechtsoverwegingen 3.14 en 3.22 van de bestreden beschikking). In het dictum van de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de behandeling omtrent de vaststelling van de definitieve alimentatie en de duur ervan wordt aangehouden.
Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de door de rechtbank gegeven beslissing omtrent de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw een voorlopige is die geen onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, niet meer in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt. De bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, betreft derhalve een tussenbeschikking.
Weliswaar heeft de rechtbank in het lichaam van de bestreden beschikking overwogen dat het verzoek van de man om limitering van zijn alimentatieverplichting zal worden afgewezen, maar de definitieve beslissing daaromtrent is blijkens het dictum van de bestreden beschikking, zo volgt uit het vorenstaande, aangehouden.
4.4. Nu het hier een tussenbeschikking betreft, kan hoger beroep hiertegen ingevolge artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking of indien de rechtbank de mogelijkheid daartoe heeft opengesteld. Vaststaat dat in casu aan geen van beide laatstgenoemde voorwaarden is voldaan. De man moet in zijn hoger beroep dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.
4.5. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking.
4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart de man niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L.L. Neervoort-Briët, A. van Haeringen en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009.