ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4570
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. van Haeringen
- R.G. Kemmers
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Biologische vader niet-ontvankelijk in verzoek tot vaststelling omgangsregeling wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking
Partijen hadden een relatie van het najaar 2004 tot februari 2007, waarin zij ruim een half jaar samenwoonden. De moeder raakte zwanger van de vader, maar na het beëindigen van de relatie was er nauwelijks contact tussen vader en kind. De vader werd niet rechtstreeks geïnformeerd over de zwangerschap en was niet aanwezig bij de bevalling. Na de geboorte heeft hij het kind slechts eenmaal kort gezien.
De vader verzocht om vaststelling van een omgangsregeling, maar het hof oordeelde dat hij onvoldoende bijkomende omstandigheden had gesteld om te bewijzen dat er een nauwe persoonlijke betrekking met het kind bestaat, zoals vereist op grond van artikel 1:377a BW en artikel 8 EVRM Pro. De vader kon zijn stelling dat partijen gezamenlijk hadden besloten het kind te houden niet concreet onderbouwen.
De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte het belang van toekomstig contact, maar deed geen uitspraak over ontvankelijkheid. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de kinderrechter en verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn kind.