ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4425

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.036.154-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens te laat ingekomen beroepschrift in familierechtelijke zaak

In deze civiele familierechtelijke procedure is de man in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Haarlem. De man stelde niet op de hoogte te zijn geweest van het inleidend verzoekschrift omdat hij vanwege bedreigingen niet meer woonde op het adres waar hij stond ingeschreven. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man bekend was met de procedure en dat zij de post regelmatig aan hem bezorgde.

Het hof oordeelde dat de appeltermijn strikt moet worden gehanteerd om rechtszekerheid te waarborgen. Het was voor rekening en risico van de man dat hij zijn post op de juiste wijze ontving en tijdig kennis nam van de beschikking. Het feit dat hij niet meer op het adres woonde, deed hieraan niet af. Bovendien bleek uit niet betwiste brieven van de advocaat van de vrouw dat partijen aanvankelijk overeenstemming hadden bereikt, wat het hof interpreteerde als kennis van de procedure door de man.

Daarom verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en wees het beroep af. De beslissing werd op 29 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken door drie rechters van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in het hoger beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 29 oktober 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.036.154/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANT,
advocaat: mr. M. Bosman te Hilversum,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. M. Verkijk te Haarlem.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2. De man is op 26 juni 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 maart 2009 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 153068/08-4597.
1.3. De vrouw heeft op 11 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.
1.4. De vrouw heeft op 12 oktober 2009 nadere stukken ingediend.
1.5. De man heeft op 19 oktober 2009 nadere stukken ingediend.
1.6. De zaak is op 29 oktober 2009 ter terechtzitting behandeld.
1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de advocaat van de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De ontvankelijkheid in het hoger beroep
2.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 26 juni 2009, heeft de man hoger beroep ingesteld. De termijn die op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht genomen moest worden, was op de dag van het indienen van het verzoekschrift verstreken.
2.2. De man stelt dat hij niet op de hoogte was van het inleidend verzoekschrift van de vrouw en pas in de eerste week van april 2009, toen hij de post ophaalde uit de voormalig echtelijke woning, bekend is geworden met de bij verstek uitgesproken beschikking. Hoewel hij blijkens een GBA uittreksel van 2 december 2008 op dit adres ingeschreven stond, verbleef hij - wegens bedreigingen die verband houden met zijn faillissement - reeds enige tijd niet meer in die woning, aldus de man.
De vrouw heeft aangevoerd dat de man bekend was met het verzoek in eerste aanleg, omdat partijen aanvankelijk, hangende de procedure, overeenstemming hadden bereikt. Bovendien, zo stelt de vrouw, haalde zij iedere week de post op uit de voormalig echtelijke woning en leverde deze bij de man af.
2.3. Het hof stelt voorop dat appeltermijnen strikt behoren te worden gehanteerd, teneinde de rechtszekerheid te waarborgen. In dit kader is het hof dan ook van oordeel dat het voor rekening en risico van de man komt dat hij zijn post op de juiste wijze ontvangt en daarvan tijdig kennis neemt. Hieraan doet niet af dat de man op de uitspraakdatum van de bestreden beschikking niet langer woonde op het adres waar hij stond ingeschreven. Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat uit de, in de bestreden beschikking genoemde, brieven van de advocaat van de vrouw van respectievelijk 30 januari en 17 februari 2009 blijkt, dat “partijen overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de door de man te betalen kinderalimentatie” en “de wederpartij heeft zich bereid verklaard een referteverklaring te ondertekenen”, gevolgd door de mededeling dat “de wederpartij inmiddels kennelijk van gedachten is veranderd en op dit moment niet bereid is een akte tot referte te ondertekenen”. Uit de door de man niet betwiste inhoud van deze brieven leidt het hof af dat de man op de hoogte was van de procedure. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
2.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, H.L.L. Neervoort-Briët en A.L. Diender in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2009.